Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu moet ik mij verdedigen. De geachte spreker begon met de bewering, dat het hier eene aanranding van den eigendom gold. Ik heb geantwoord: neen, dit is het geval niet, want het wild wordt niet eigendom van iemand, omdat het zich op diens grond bevindt, maar eerst door toeëigening. Ik heb niet gezegd dat ieder die zich wild of eieren toeëigent, dit terecht doet, maar dat de eigenaar van een grond geen eigenaar is van het wild of de eieren die zich op den grond bevinden, alvorens hij zich die heeft toegeëigend. Ik meen dus mijne uitdrukking als juist, als rechtskundig te mogen handhaven.

Nu zegt de geachte spreker, inquisitoriale maatregelen zullen toch niet worden vermeden, ook al wordt tegen het koopen geen verbod uitgevaardigd. Ik meen toch, dat alleen het verbod van verkoopen niet zulke inquisitoriale maatregelen ten gevolge zal hebben. Het zal dan blijven bij toezicht op het uitstallen, op het rondventen, op het brengen aan de markt. Maar het zal niet zoodanige maatregelen ten gevolge hebben, zonder welke het verbod tegen het koopen niet in stand ware te houden.

Nadere verdediging van de amendementen van de heereu .Meelissen en Taets v. Amerongen. De lieer Godefroi wil in liet tweede lid liet woord „laatsgenoemde" door „deze" vervangen.

Zal het doel, dat de geachte voorsteller van het amendement (de heer Meeussen) en zij die het met een loffelijk voornemen ondersteunden in het oog hebben, worden bereikt, men zou dan eigenlijk nog verder moeten gaan. Het zal dan niet genoeg zijn te verbieden, dat men wild koope; men zal moeten verbieden, dat iemand het in zijn bezit hebbe. De logementhouders en anderen, waarvan men heeft gesproken, zullen, zoodra koop is verboden, het wild niet hebben gekocht, maar ten geschenke gekregen. Ik geloof dus niet dat het voorgestelde verbod voldoende kan worden geacht ter bereiking van het doel.

Huiszoeking kan niet geschieden, zonder uitdrukkelijke machtiging van de wet, maar er zijn andere gevolgen, waartegen ik opzie. Het koopen verdeelt zich over vele particulieren; het verkoopen is de daad van weinigen. Het onderzoek ter uitvoering van deze wet uit te strekken tot allen die in het bezit zijn van wild en hen te vervolgen, zoo het blijkt dat zij wild hebben gekocht, tegen dergelijke vervolging deins ik vooralsnog terug.

De geachte spreker uit de hoofdstad (de heer Godefroi) stelt voor, in de plaats van het woord laatstgenoemde te stellen deze. Ik mag het gaarne lijden, vooral omdat deze korter is dan laatstgenoemde. Maar zoo men wil vitten — en alleen uit vitterij zal misverstand kunnen voortspruiten — men zal evenzeer kunnen vitten op het woord deze als op laatstgenoemde.

Sluiten