Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestuur, om dan jaarlijks op de begrooting aan te vragen, hetgeen men voor de uitvoering van zoodanigen maatregel noodig heeft? Dit zou eene verandering zijn in den vorm, en in het wezen, in zooverre als dan van de jaarlijksche toestemming bij do begrooting afhankelijk zou worden gemaakt, hetgeen nu eene eenvoudige uitvoering van deze wet zal zijn. Naar het mij voorkomt, Mijne Heeren, is het eenvoudigst, niet ieder jaar de vraag of dergelijke preiniën behooren te worden betaald, op nieuw aan eene discussie te onderwerpen. Bovendien wat zegt het artikel? Het zegt: „Voor schadelijk gedierte, gedood op eigen „grond, of op een grond waar men bevoegd is te jagen, mits deze „gronden in Nederland zijn gelegen, kunnen, wanneer het hoofd van „het bestuur der gemeente die omstandigheden voldoende bewezen „acht, de navolgende premiën worden genoten." Het artikel stelt dus volstrekt niet een recht, om de premiën te genieten. Om dat duidelijk te doen uitkomen, heb ik ook voorgesteld in de derde alinea te lezen: „de premiën worden niet genoten dan nadat het gedood schadelijk „gedierte vertoond is" enz. Derhalve, er is zoo veel vrijheid, dat het Gouvernement, onderricht dat het niet noodig is premiën te geven, die premiën zal kunnen doen ophouden. Om deze redenen meen ik, dat men aan die verandering van vorm, waarvoor anders nog al iets pleit, niet de voorkeur behoeft te geven.

De geachte spreker uit Groningen (de heer Westerhoff) heeft gevraagd: waarom het Gouvernement geen premiën uitschreef voor het vertoonen van ander gedood schadelijk gedierte, als musschen of kevers? Ik moet herinneren dat te dien aanzien bij de wetgeving reeds is voorzien, die misschien tot heden niet behoorlijk ten uitvoer is gelegd. Hetgeen hij verlangt zou in allen gevalle hier niet voegen.

Ik heb den gang van mijn onderzoek en van mijne overwegingen medegedeeld en meen het artikel te mogen en te moeten handhaven.

Art. 3-1. Verplichting van den eigenaar eener eendenkooi, deze jaarlijks te doen registreeren.

Het is hier de plaats om te antwoorden op eene bedenking, door den geachtcn spreker uit Nijmegen (den heer Van Lynden) gemaakt bij de algemeene beraadslagingen; eene bedenking, die, meen ik, niet daar behoorde, maar hier een antwoord verdient. De Regeering blijft zich zelve niet gelijk, heeft de geachte spreker gezegd; de Regeering wil geene afpaling, en zij wil toch -afpaling eener eendenkooi. Ik moet hem doen opmerken dat bij eendenkooien afpaling volstrekt wordt gevorderd. Ik wil niet treden in eene technische beschrijving van eendenkooien, maar den spreker slechts wijzen op art. 1 van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur van 1 December 1820. Daar staat: „Aan een iegelijk wordt verboden om binnen den afstand, „waarop aan de eigenaars van eend vogelkooien in de noordelijke pro-

Sluiten