Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezwaar in de verandering van uitdrukking, door hem voorgesteld, en strekkende, om in plaats van „opzieners van de jacht en visscherij", te lezen: „de ambtenaren, met het toezicht over de jacht en visscherij belast."

Hebben zij de bevoegdheid om de overtredingen, die elders worden begaan, te constateeren?

Dit is mijne meening niet. Op zich zelf zou daartegen geen bezwaar zijn; maar waartoe zou het leiden? Zoodanige onbezoldigde opzieners zijn aangesteld in het bijzonder belang en op verzoek van grondeigenaren. Zoo nu door de administratie over die onbezoldigde opzieners kon worden beschikt, dan zou het van groot nut wezen hun de bevoegdheid te geven, evenzeer buiten den kring van de goederen der eigenaren, op wier verzoek zij zijn aangesteld, de misdrijven op te sporen en te constateeren. Maar vermits, zoo het mij voorkomt, dergelijke beschikking aan de administratie niet mag worden gegeven, schijnt het mij geheel nutteloos toe, hun een dergelijk recht toe te kennen. Nu toch zouden zij slechts bij toeval eenig misdrijf constateeren, buiten den grondeigendom voor welken zij zijn aangesteld.

Ik moet den geachten spreker (den heer van Nispen van Sevenaer) vragen, of het zijne bedoeling is, dat er iets in dit artikel der wet worde veranderd?

De heer v. Nispen v. Sevenaer wenscht, dat zij die bevoegdheid wel zullen hebben.

Wij zijn, dunkt mij, in eene tamelijk onbestemde discussie geraakt. Worden de onbezoldigde opzieners in allen deele gelijk gesteld met de bezoldigde, dan zal ten aanzien van hen gelden: „de opzieners waken tegen de overtredingen van deze wet en van de provinciale verordeningen op de uitoefening der jacht en visscherij." Het gevolg zal zijn, dat zij inderdaad niet meer in den bijzonderen dienst zullen zijn van dien grondeigenaar, op wiens verzoek zij zijn aangesteld; dat zij zeer dikwijls, misschien om elders eene premie te verdienen, van den grondeigendom zullen worden afgetrokken, waarvoor zij zijn aangesteld. Ik vraag hen die de aanmerking hebben gemaakt, nogmaals of zij een amendement wenschen voor te dragen. Zoo ja, ik zal dan kunnen oordeelen.

Het laatste lid bepaalde: „Tot het opsporen van overtredingen dezer wet .... zijn de ambtenaren, met het toezicht op de jacht en visscherij belast, bevoegd alle gronden, buiten die in art. 12b genoemd, te betreden." Ten einde te bereiken, dat ook de onbezoldigde opzieners het recht zullen hebben, op alle gronden overtredingen op te sporen, stelt de heer v. Hall voor te lezen: „de beambten, in dit artikel vermeld", enz.

Sluiten