Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

amendement eenigszins aannemelijk maken, men zou er eene bepaling kunnen bijvoegen, waaruit volgde, dat alleen de verbeurdverklaring in zoodanig geval niet toepasselijk zoude zijn. Al het overige zal moeten plaats hebben. Wanfteer de geachte spreker voorstelt, te lezen: „wordt — ik stel dit in plaats voor „zal worden" — eene boete van drie gulden opgelegd", dan moet ik daarin voor het oogenblik nog bezwaar maken, het aan hem overlatende om, zoo hij volhardt in zijn amendement, een meer aannemelijk opstel voor te dragen. Ik merk nog op, dat de jager, wetende dat hij voor het vergeten van zijne acte tien gulden moet betalen, nauwkeuriger zal zijn in het medenemen der acte, dan zoo de boete op ƒ 3 wordt gesteld. Ik zou zelfs genegen zijn te gelooven, dat de boete van tien gulden den jager minder zal kosten dan de boete van drie gulden. Eene hoogere boete zal hem tot meer zorg dringen. Ik kan mij dus met het nieuwe opstel van den heer Dullert niet vereenigen, en houd het, tenzij eene meer aannemelijke redactie worde voorgedragen, beter, dit artikel onveranderd te laten.

De geachte spreker uit Utrecht heeft op andere delicten gewezen, die eene lagere boete zouden eischen; onder andere op het vangen van nachtegalen. Zoo men die verschillende delicten wil klassificeeren en in eene waardeering treden van het meer of minder strafbare karakter van elk delict, men zou dan tot een zeer omslachtig tarief komen. Maar ik vraag, of eene klassificatie aannemelijk is bij eene zoo matige boete als hier door mij is voorgesteld.

De spreker uit Noordbrabant wenschte, dat in plaats van: de laatste twee jaren, mocht gesteld worden: de laatste twaalf maanden, en ik heb gezegd, dat ik voor het oogenblik daartegen geen hoofdbezwaar had. De spreker beriep zich op eene bepaling in de gemeentewet. Tegen hem is door het lid der Commissie art. 14 van het ontwerp aangehaald. Behalve die aanhaling zou ik ook dit in bedenking willen geven: zijn de delicten, strafbaar volgens de gemeentewet, onder dit oogpunt wel op ééne lijn te stellen met de jachtdelicten ? De delicten, strafbaar volgens de gemeentewet, worden binnen den kring van de gemeente bedreven; dat men zich daar met een jaar vergenoegt is aannemelijk. Maar de jachtdelicten worden nu in deze, dan in de gene, dan in eene derde provincie bedreven. Kan en moet dit geen invloed hebben op de bepaling van één of van twee jaren ? Dit overwogen, moet ik zeggen, dat ik er toe overhel, den termijn van twee jaren te laten.

De heer Dullert wijzigt zijn amendement. Het slot luidt thans „wordt eene boete van f 3 opgelegd. De verbeurdverklaring van het jacht- of vischtuig wordt in dit geval niet toegepast."

Zonder mij voor het oogenblik verder uit te laten over het amendement, merk ik toch op, dat de zaak zoo eenvoudig niet is. Het

Sluiten