Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenige twijfel kan te pas komen, want de bevoegdheid van den officier of den hulpofficier zoo ver die moet worden uitgeoefend naar de 2de of 3de alinea, zal naar de regels van het Wetboek van Strafvordering worden afgemeten. Daar zal het gewone recht gelden.

Amendement van den heer Van Goltstein.

Ik heb niet gezegd, dat de hulpofficier geene bevoegdheid zal hebben de aanhouding te bevelen. Ik heb gezegd, dat zoo in de 2de en 3de alinea van art. 49 sprake is van den officier en er twijfel ware omtrent den zin van dat woord, die twijfel zou moeten worden beslist naar de regelen van het Wetboek van Strafvordering.

De geachte spreker uit Utrecht (de heer Van Golstein) stelt voor, het laatste gedeelte van de 1ste alinea aldus te lezen: „ten einde „zich te verzekeren van den naam, het beroep en de woonplaats des „aangehoudenen, waarna de invrijheidstelling van den aangehouden „persoon plaats heeft". Ik durf niet adviseeren tot de aanneming van dit amendement, om tweeërlei reden. Vooreerst, omdat, bedrieg ik mij niet geheel, hetgeen de geachte spreker in het laatste gedeelte van het amendement bedoelt, reeds volkomen is bereikt door hetgeen in de 3de alinea wordt gelezen, luidende: „Zoodra de redenen tot „aanhouding vervallen, wordt de onmiddellijke invrijheidstelling ge„last". Zoodra dus de onbekendheid van den persoon ophoudt, wordt onmiddellijk de invrijheidstelling gelast. Er is een tweede reden. Mij dunkt, het rijmt niet, het geeft geen goeden, aannemelijken zin in de wet, wanneer men zegt, dat de ambtenaren den onbekende zullen aanhouden en leiden naar den naastbij zijnden officier, ten einde zich te verzekeren van den naam, het beroep en de woonplaats van dien persoon. Kan het leiden naar den officier tot bekendmaking van den onbekende brengen? Wanneer in dat leiden naar den officier een middel gelegen was, ten einde den persoon te doen kennen, er zou geen bezwaar zijn, maar het middel ligt in de aanhouding zoolang de persoon onbekend is. Het eenvoudig leiden tot den officier beteekent niets, indien de officier dien persoon niet, zoo noodig, in bewaring kan doen blijven. Om deze beide redenen meen ik dat het amendement niet aannemelijk is.

De geachte spreker uit Gouda (de heer Van der Linden) verklaarde zich tegen het artikel, omdat hij eene zoodanige aanhouding en inhechtenisstelling niet wenscht. Ik moet hem vragen, hoe men tot eene vervolging zal komen, indien men den onbekende niet zoo lang zal mogen aanhouden, totdat de officier weet wie hij is? Laat de officier den man gaan zonder hem te kennen, hoe zal de vervolging kunnen plaats hebben? Ik behoef hier nauwelijks bij te voegen dat dit artikel inzonderheid zijne toepassing zal vinden tegen kwaadwillige stroopers, die onbekend zijn en onbekend willen blijven.

Sluiten