Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zal het betoog van den geachten spreker punt voor punt volgen. Hij zegt: niemand kent het beklemrecht, niemand kent althans de eigene bepalingen van het beklemrecht. Dit heeft hij vooruitgezet en eenigszins ontwikkeld, om tot het besluit te komen, dat het al te gewaagd is eene bepaling, waarbij het beklemrecht wordt aangeroerd, in deze wet te brengen. Niemand kent de eigene bepalingen van het beklemrecht, zegt de geachte spreker, en als hoofdbewijs daarvan brengt hij bij de langzaamheid van den Groningschen rechtsgeleerde Sypkens in het maken van een opstel van voorschriften omtrent het beklemrecht voor het Burgerlijk Wetboek. Ik geloof niet veel te wagen, wanneer ik zeg dat die langzaamheid geenszins alleen daaraan was toe te schrijven, dat de heer Sypkens zich met zijne wetenschap ten aanzien van de redactie der bepalingen in verlegenheid bevond. Wanneer de geachte spreker zegt: niemand kent het beklemrecht, dan is dit eene overdrijving; hij gaat te ver uit moedeloosheid om hier iets omtrent den beklemden meier vast te stellen. Ik zal niet van zoo menige compilatie omtrent het beklemrecht spreken, maar den geachten spreker alleen wijzen op de systematische verhandeling van het lid van den Hoogen Raad, den heer Gockinga, en wanneer hij deze verhandeling leest of zich die herinnert, dan zal hij niet meer zeggen, dat niemand het beklemrecht kent.

De geachte spreker meent, het is vooral gewaagd eene bepaling, rakende het beklemrecht, te maken bij gelegenheid van eene politiewet. Mijne Heeren, dit bezwaar is er geen; want deze wet is niet enkel eene politiewet. De geachte spreker heeft zelf de artt. 2 en 3 bijgebracht, waar de grenzen van eene politiewet worden overschreden. Om in harmonie met die artikelen ook een regel te stellen ten aanzien van het beklemrecht, daartoe is dit laatste artikel in de wet gebracht. Wanneer de artt. 2 en 3 niet in de wet waren opgenomen, dan voorzeker, ware het niemand ingevallen, ten aanzien van den beklemden meier eene bepaling in deze wet te lasschen. Maar nu die artikelen zijn voorafgegaan, nu is het, dunkt mij, noodig dat ook dergelijke bepaling hier voorkome.

De geachte spreker zegt: ik wil aannemen, dat de beklemde meier het dominium utile heeft en dus het dominium utile hebbende, op ééne lijn kan worden geplaatst met den erfpachter en den vruchtgebruiker; maar dan — dit is het besluit van den geachten spreker — heeft de beklemde meier het jacht- en vischrecht en is de bepaling overbodig. Ik antwoord: beklemming is het uitwerksel van de overeenkomst, gesloten tusschen den eigenaar en den beklemden meier. Wanneer nu in dit artikel wordt gezegd: „Op de overeenkomsten van pacht of huur, vóór de afkondiging dezer wet gesloten, is het 2de lid van art. 2 zonder invloed", dan zullen die overeenkomsten van beklemming, — schoon van het recht van beklemming in het Burgerlijk Wetboek afzonderlijk wordt gewaagd — door den rechter kunnen

Sluiten