Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dezer wet. Daarvoor bestaat ook geene reden hoegenaamd. De vrees van den geachten spreker, dat, zoo dit niet geschiedt, het jaehtreeht op nieuw heerlijk recht zal worden, is, geloof ik, overdreven.

Ik kom tot de twee andere sprekers. Wat betreft de rede van mijn ouden vriend uit de hoofdstad (den heer Van Hasselt) heb ik op vier punten te antwoorden. Hij heeft zich beklaagd, dat deze verandering „zoo abrupt" in de Vergadering was gebracht. Zoo dit een verwijt is aan den Minister, hoe vele verwijten heeft dan de Minister van zijne zijde te doen? Bij deze discussie, die zooveel dagen heeft geduurd, was niet een enkel amendement vooraf gedrukt medegedeeld, en hoeveel amendementen zijn er niet voorgesteld? Hoe is de Minister te werk gegaan? Hier heeft men dagen tijd gehad, 0111 zich te bedenken over het voorstel, dat geheel en al sluit in het systeem van deze wet, in het ontwerp dat in discussie is geweest.

De geachte spreker heeft in de tweede plaats gezegd, dat hij in de verschillende geschriften van rechtsgeleerden over het beklemrecht niet anders dan de subjectieve denkbeelden van die rechtsgeleerden heelt gevonden. Ik geloof, het zal wel eene onafscheidelijke eigenschap zijn van de geschriften van ieder rechtsgeleerde, dat zij de subjectieve gevoelens van den schrijver uitdrukken.

In de derde plaats zeide hij, dat het dan toch wel bekend zou zijn, dat de contracten van beklemming niet alle altoosdurend zijn. Ik antwoord, dat de tegenwoordige contracten van beklemming alle altoosdurende contracten zijn. Ik geloof dit te mogen zeggen, zonder vrees voor tegenspraak.

Dc geachte spreker heeft in de laatste plaats gezegd, dat in het voorstel alleen van overeenkomsten wordt gesproken; maar dat niet voorzien is in andere gevallen. Daarin is wel voorzien, want er staat: „die noch uit de overeenkomst, noch uit anderen hoofde, het genot der jacht en visscherij op den beklemden grond bezit.'' Ik geloof dat alle gevallen daarin zijn vervat.

De geachte spreker uit Leeuwarden (de heer Ypeij) merkte aan, dat ik de huivering die ik vroeger wel eens had ondervonden, om in beschouwingen te treden over het recht van beklemming, nu scheen te hebben afgelegd. Zoo ik bij de behandeling der wet, regelende de onteigening ten algemeenen nutte, heb gezegd, dat ik huiverig was te verzekeren dat deze en gene stelling, die te zamen het geheele stelsel van het recht van beklemming zouden uitdrukken, juist waren, dan gevoel ik dezelfde huivering nog. Maar in eene discussie over het geheele stelsel van beklemrecht en zijne deelen te treden, of zoodanige bepaling nis deze voor te dragen, daartueschcn is een zeer groot onderscheid. Ik ben niet huiverig, het woord beklemrecht uit te spreken en de aandacht der Vergadering te vestigen op hetgeen mij in deze wet ten aanzien van dat recht billijk en rechtvaardig voorkomt. De Groninger rechtsgeleerde heeft alléén kennis. Dit is de volstrekte

Sluiten