Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den Hollandschen spoorweg zal openen, zoodra dit ontwerp wet zal zijn.

De heer Sloet tot Oldliuis dringt nader aan op een billijker tarief. K011 men den particulier bij de begrooting der door hein geleden schade niet dezelfde waarborgen geven als hem in de onteigeningswet worden toegekend?

Het blijkt dat ik het gezegde van den geachten spreker uit Zwolle in meer volstrekten zin heb opgevat dan hij heeft bedoeld. Er is tusschen hetgeen ik heb gezegd en hetgeen hij beweert zijne meening te zijn, een verschil van meer en minder. Maar dat mindere, zoo men het in het stelsel van deze wet wil opnemen, leidt, dunkt mij, tot het meerdere. De geachte spreker heeft gezegd: de Staat moet zich een offer getroosten. Maar nu is de vraag: hoever moet dat offer gaan? Worden de belangen van den kleinen winkelier met de uiterste zorg behartigd, dan zal de Staat niets moeten nemen. De Staat, zal men zeggen, behoeft zoo ver niet te gaan; hij kan altijd eenige betaling opleggen. Maar de Staat zal zich dan toch offers moeten getroosten, niet zooveel mogen vorderen als noodig is om de kosten te dekken, en nu vraag ik, wanneer men eens blijft binnen die grens, waar de opbrengst de kosten dekt, is dan niet alle bepaling willekeurig'? Ik beoog geene winst voor den Staat; ik zal op den duur voldaan zijn, wanneer slechts de kosten worden gedekt. Ik vraag geene voordeden voor de schatkist. Ik geloof integendeel, dat de Regeering verplicht is de tarieven zoo laag te stellen, dat slechts de kosten door de opbrengst worden gedekt. Maar zich een offer te getroosten, dit zou te veel zijn gevergd en geene getrouwheid aan een beginsel verraden. Besluit men eenmaal zich een offer te getroosten, waarom dan aan den armen man iets afgenomen? Het ware dan beter, enkel diens belang te raadplegen en dit brengt mede dat hij niets betale.

De geachte spreker uit Zevenaar heeft gezegd, dat hij niet bedoeld had eenig wantrouwen ten aanzien van de rechterlijke macht aan den dag te leggen. Ik neein dat gaarne aan. Maar hij meent dat de rechter zich niet veel moeite zal geven om de schade wèl na te gaan, wèl te beoordeelen. Bij de wet op de onteigening zijn, zegt hij, meer waarborgen voor de juiste beoordeeling. Onteigening zal ter uitvoering dezer wet slechts bij uitzondering plaats hebben. En zijn nu daar de waarborgen inderdaad grooter? Zal er bij onteigening iets anders gebeuren dan bij de gewone werking van deze wet? Zal de rechter niet met dezelfde nauwkeurigheid zijne taak hier vervullen als bij de onteigening? En zoo deze of gene rechter minder nauwkeurig mocht wezen, zal de partij niet zorgen, hem de uitgestrektheid der winstderving te doen gevoelen? De eigenaar, over wiens grond de draad zal worden gelegd, is bijv. voornemens in dat of het volgende jaar op dien grond te bouwen, en hij wordt daarin nu verhinderd.

Sluiten