Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te pas, de arrondissementsrechtbank in tc roepen gelijk bij onteigening.

De geachte spreker uit Zevenaar meent, dat art. 625 van liet Burgerlijk Wetboek hier niet toepasselijk is. Ik heb dat artikel ingeroepen, en de geachte spreker zelf vestigt bij zijn betoog het oog op die woorden. „mits men er geen gebruik van make, strijdende tegen de wetten of openbare verordeningen, daargesteld door de bevoegde macht." Dit is iets anders, heeft hij gezegd, dan hier bij art. 4 wordt bedoeld. Maar ik vraag, of het algemeen begrip van eigendom, in art. 625 gegeven, niet zóo moet worden verstaan, dat wanneer de eigenaar door de wet of andere openbare verordeningen kan worden verhinderd, een zeker gebruik te maken, daarin ligt eene vermindering van dat recht van gebruik ot genot? Welnu, hier wordt niets anders bedoeld, dan vermindering van het gebruik of genot. Men heeft zoo dikwerf dit artikel aldus opgevat; het is niets nieuws. Nieuw zou het zijn wanneer dit artikel in dien engsten zin moest worden verstaan, zooals de geachte spreker bedoelt.

De geachte spreker, in dit opzicht overeenstemmende met den spreker uit de residentie, meent dat mijne voorbeelden, aan het dijkrecht ontleend, hier niets afdoen, evenmin als mijn voorbeeld van dc voet- en jaagpaden. Ik zal dus, den geachten spreker uit de residentie beantwoordende, tevens geacht mogen worden antwoord tc geven aan den spreker uit Zevenaar. Met den spreker uit de residentie heeft zich de discussie bewogen; zij is vooruitgegaan, en ik zal dit dadelijk aanwijzen. Hij wil mijne voorbeelden niet laten gelden. Ik moet vooreerst opmerken, dat hij sommige van de voorbeelden die ik heb aangehaald, heeft tegengesproken, geenszins alle. Ik heli aangehaald niet alleen de voet- en jaagpaden en de dienstbaarheden ten behoeve van de wegen ; ik heb ook aangehaald de dienstbaarheden of verplichtingen ten behoeve van vestingen en van mijnen, de verplichting om een waterwerk op zijn grond te laten maken. De geachte spreker heeft zich bij eenige van die voorbeelden bepaald en gezegd: „het besluit, uit die voorbeelden afgeleid, is hier niet van toepassing, want die voorbeelden zijn uitzonderingen, door de Grondwet zelve gemaakt." Mijne Heeren, dit ontken ik. Zoo de Grondwet in art. 147 van dijken en van vestingen spn ekt, dan doet zij dit niet om aan den wetgever de bevoegdheid tc geven tot het leggen van lasten of verplichtingen op den grond, ten behoeve van dijken en vestingen. De Grondwet spreekt daarvan alleen en uitsluitend met opzicht tot bepaalde vormen van onteigening, waarvan zij de onteigening ten behoeve van dijken en vestingen uitzondert. Moet er ten behoeve van vestingbouw worden onteigend, dan is er geene voorafgaande verklaring van algemeen nut noodig, omdat in de zaak zelve dc verklaring van het algemeen nut ligt. Maar hiertoe bepaalt zich de Grondwet; er moet worden onteigend, omdat hier van overgang van eigendom van den een op

Sluiten