Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den ander sprake is. Hetzelfde geldt ten aanzien van de dijken, zoover de Grondwet hiervan gewaagt. Zoo nu de geachte spreker daarin eene wederlegging meent te mogen vinden van de voorheelden, die ik hel) bijgebracht, dan, geloof ik, heeft hij ongelijk. Ik heb gezegd, wanneer het waar is, dat art. 147 der Grondwet in zoo beperkten, uitsluitenden zin moet worden opgevat, als de geachte spreker wil, dan kan geene aardhaling plaats vinden, of de gronden zelve moeten worden onteigend en ik heb daarbij aangehaald, hetgeen de wet op de onteigening, ik geloof op zeer goede gronden, heeft gewild. Ten aanzien van voet- en jaagpaden is door de wet een zeer zware last op de ingezetenen gelegd. Ik heb daarop gewezen, maar de geachte spreker heeft, zoowel als de spreker uit Zevenaar (de heer v. Nispen v. Pannerden) gemeend, dat in de wet alleen sprake was van reeds bestaande voeten jaagpaden. Gesteld dit ware zoo, mijn voorbeeld zou zijne kracht geheel behouden. Het blijft dan een voorbeeld van een last en eene verplichting, door de wet op particuliere gronden gelegd. Maar wat zegt art. 720 van het Burgerlijk Wetboek? Het zegt: „De rechten en „verplichtingen ten openbaren of gemeentelijken nutte daargesteld, ten „onderwerp hebbende de voet- en jaagpaden langs bevaarbare of vlot„bare rivieren, het maken of het herstellen van wegen, dijken en „andere openbare of gemeentelijke werken, zijn bij bijzondere wetten „en verordeningen geregeld." En nu geloof ik, dat: de rechten en verplichtingen ten openbaren of gemeentelijken nutte daargesteld, niet alleen doelt op die, welke daargesteld zijn, maar ook op dezulke, die daargesteld zullen worden.

Ik zeide, de discussie is met den geachten spreker uit de residentie vooruitgegaan. Ik hecht veel aan discussie met hem, want zijn antwoord is niet alleen terugkomen op punten, die reeds zijn aangevoerd. De discussie met hem is vooruitgegaan op dit punt. Hij heeft nu gezegd: ja, een servituut kan op een erf, ten behoeve van den grond van een ander worden gelegd, zonder dat er onteigening noodig is, maar men kan niet in het algemeen belang een last, eene verplichting op iemands grond leggen. Ik mag den geachten spreker vragen: zoo het strijdig is met de Grondwet, zonder onteigening, lasten en verplichtingen op iemands grond te leggen in het algemeen belang, is het dan niet evenzeer met de Grondwet strijdig lasten en verplichtingen te leggen op eens anders grond ten behoeve van een erf van een particulier?

De geachte spreker zegt, dat in de klasse van dienstbaarheden, die op het erf van een particulier kunnen worden gelegd, behooren gerangschikt te worden de dienstbaarheden ten behoeve van vestingen en van wegen. Ik zal dit nauwelijks behoeven tegen te spreken; vestingen of wegen zijn geen civiel eigendom, het zijn publieke eigendommen ten gebruike van den Staat voor een bijzonderen bepaalden dienst, of ten gebruike van allen, wanneer de wet dit wil. Het is dus

Sluiten