Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigendom in eene andere beteekenis dan die, waarin wij gewoonlijk spreken van burgerlijken eigendom. Zoodra de weg ophoudt weg te zijn, komt hij terug binnen de grenzen van den burgerlijken eigendom; doch zoolang hij weg is, mag hij daarmede niet op ééne lijn worden geplaatst. Het hoofdkenmerk van den burgerlijken eigendom is, dat men daarover beschikt met uitsluiting van anderen, terwijl hier de weg juist dient ten gebruike van allen.

Art. 147 der Grondwet, beweert de geachte spreker, wil juist voorkomen het plegen van daden van eigendom, zonder dat' men den eigendom hebbe. Dit is een gevolg, uit dit artikel getrokken, dat mij verrast en dat ik er nooit in zou hebben gezocht. Het artikel spreekt zoo duidelijk van ontzetting van eigendom, van inbezitneming, dat do bedoeling niet kan zijn te verbieden het plegen van daden van eigendom, zonder dat men eigenaar zij. Dit is eene beteekenis, die ik nu joor het eerst aan het artikel hoor geven. Ik zie niet hoe uit art. 147 kan worden afgeleid dat men niet zou kunnen beschikken over een eigendom van een ander, hetzij in het algemeen belang, hetzij in het belang van particuliere rechten.

De geachte spreker is teruggekomen op zijne vergelijking met de spoorwegen. Ik zal alleen dit antwoorden, waartoe een nieuw gezegde van den geachten spreker mij aanleiding geeft. Zoo in deze wet geheel onbepaald ware gesproken van de lasten en de verplichtingen, die het Gouvernement, ten behoeve van den dienst, op de gronden van particulieren zou kunnen leggen, dan zou misschien de vrees, welke de geachte spreker bij zijne vergelijking heeft te kennen gegeven, kunnen worden gerechtvaardigd. Maar wat doet deze wet? Deze wet omschrijft zeer duidelijk. In art. 4 spreekt zij van het spannen en leggen der draden over en onder den grond, van het stellen der palen enz. I)e grens dus, hoe ver het gebruik of genot der eigenaren, ten aanzien van den grond kan worden beperkt, ligt in de wet zelve, zoodat de vergelijking met de spoorwegen hier van geene toepassing kan zijn.

De geachte spreker zegt, evenals de geachte sprekers uit Zevenaar en Zeeland: waarom zal men de wet ter onteigening niet toepassen? Is het in het algemeen belang, dat men onteigening hier tocpasse of een zoodanig artikel aanneme als art. 4? De Minister heeft gezegd, dat niets gemakkelijker is, dan den bijzonderen eigendom te mijden, zoodat de telegrafen zeer wel tot stand kunnen komen, zonder dat men de particuliere eigendommen aanrande. Ik moet dit antwoorden: In 1'rankrijk, in Pruisen, in België heeft men, voor zooveel ik weet, geen telegrafen dan langs de spoorwegen. Wanneer wij dit voorbeeld zouden willen opvolgen, dan zou onze telegrafengemeenschap niet ver strekken. Nu spreekt het van zelf, dat wij bij het in verband brengen van de hoofdplaatsen van onze provinciën, van onze vestingen, van de hoofdpunten van ons land, de rivieren, de wegen zullen volgen.

Sluiten