Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doch dat later moet zwijgen, dat later in de Kamer geen orgaan meer zal vinden? Ik blijf dus van oordeel, dat men bij het overnemen uit een stelsel, dat niet het stelsel van deze wijzigingen is, te ver is gegaan. Ik behoef er nauwelijks bij te voegen, dat naar mijne meening, zoo men de zaak van de zijde der Regeering beschouwt, ook dit oordeel, dat, wanneer het later niet in de Kamer zelve zal kunnen worden ontwikkeld, onvolledig is, aan de Regeering niet dan welkom zal zijn.

Het oordeel der Commissie, meent de lieer Godefroi, zal óf in de individueele leden der Commissie, óf in andere leden der Kamer wel verdedigers vinden.

Het komt nu nauwelijks te pas te zeggen, dat de Regeering de commissie van rapporteurs steeds met genoegen in deze Kamer heeft zien zitten en hare taak vervullen, en dat zij zoodanige commissie ook voortaan bij de discussie over elk ontwerp van wet gaarne zou ontmoeten. Maar ik moet dit doen opmerken, dat in art. 32c niet wordt gezegd dat de commissie haar oordeel zeggen kan. Haar wordt de verplichting opgelegd, om een oordeel uit te spreken, en daarin komt mij voor disharmonie met het stelsel gelegen te zijn. Wanneer men aan die commissie de verplichting oplegt om zoodanig oordeel te openbaren, dan moet die commissie, als zoodanig, ook een verder, een langer bestaan hebben; dan moet zij, dunkt mij, bestaan tot het tijdstip dat de discussie over het onderwerp in deze Kamer is afgeloopen.

Art. 50. Niemand voert meer dan twee malen over hetzelfde onderwerp liet woord. „Rij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp gesproken lieeft, wordt niet medegerekend het spieken over een persoonlijk feit door het lid wien dat feit betreft, het spreken tot toelichting van eene door dat lid voorgedragene wijziging, noch ook het beantwoorden van de Ministers door den voorsteller eener wijziging."

Ik heb eene vraag te doen. Er wordt niet mede gerekend bet spreken over een persoonlijk feit door bet lid wien dat feit betreft, het spreken tot toelichting van eene door dat lid voorgedragene wijziging, noch ook het beantwoorden van de Ministers door den voorsteller eener wijziging. Ik vraag niet, of het begrip van een persoonlijk feit juist is omschreven, maar mijne vraag betreft de woorden: „noch ook het beantwoorden van de Ministers door den voorsteller eener wijziging." Is de meening, dat de voorsteller van eene wijziging de Ministers zoo dikwijls zal kunnen beantwoorden als hij zal goedvinden, zoodat er geene beperking op dit punt is? Ik wenschte dit te weten, opdat de Ministers zich zouden kunnen voorbereiden op de malen die zij wellicht te spreken zullen hebben.

Sluiten