Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. t'»4. Dc Kamer had besloten de behandeling van de artt. 05 en 66 aan die over art. 64 te doen voorafgaan. De commissie van redactie had overwogen, bij dit artikel den Voorzitter de bevoegdheid te schenken om, wanneer ten gevolge van een aangenomen amendement de cijfers moeten worden veranderd van aanhalingen, die verandering te maken. Zij maakte daartegen zwarigheid. Wel meende zij, kan den Voorzitter de macht worden gegeven de volgnummers boven de artikelen, die immers niet als wijzigingen waren te beschouwen, te veranderen.

Indien de meening van de Kamer zoo streng is als degene, die zoo even door het geachte lid der Commissie werd voorgedragen, — indien de Kamer meent dat elke verandering van een cijfer eene verandering van liet wetsvoorstel is, dan is iedere dergelijke wijziging na het aannemen onmogelijk, en dan verwondert het mij, dat de Commissie eene verandering van de cijfers boven de artikelen heeft toegegeven. Maar is men gemakkelijker, dan, geloof ik, zal langs den door mij aangegeven weg later kunnen worden gezorgd voor datgene waarop in den loop van eene drukke discussie niet altoos kan worden gelet, ook niet door de Commissie van Rapporteurs, al had men die nog. Men vergt te veel van den Minister, te veel van de leden, te veel van de Commissie, wanneer gewacht wordt dat er bij ieder artikel, ook wanneer daarover geene beraadslaging valt, op zal worden gelet, zoo eene verandering van cijfer het gevolg moet zijn van een aangenomen amendement. En eene verkeerde aanhaling, door een verzuim ontstaan, kan den zin der wet veranderen, en haar onaannemelijk maken bij de Eerste Kamer. Daar nu na den afloop van de discussie zooveel licht over de zaak is verspreid, dat bij het bureau van den President niet licht eene dwaling kan plaats hebben in de cijfers, hetzij van de artikelen, hetzij van de aanhalingen, die alleen daarom moeten worden veranderd, omdat de oorspronkelijke cijfergetallen van de artikelen eene wijziging hebben ondergaan, zoo geloof ik, dat men voor een geregeld beleid zorgt, als men voor goed aan den Voorzitter de machtiging toekent, die hem zoo dikwijls voor een bepaald wetsvoorstel wordt gegeven. Dergelijke machtiging is in het belang der wetten, die dc Kamer wèl geredigeerd uit hare discussie wil zien voortkomen.

De lieer Godefroi meende, dat het de plicht was van den voorsteller van een amendement, dc besproken veranderingen te overzien en voor te stellen.

Het zij verre van mij, te betwisten, dat het de plicht is van den voorsteller van een amendement, al de gevolgen van zijn voorstel vooraf wel te berekenen. Maar ik vraag, of er in die stelling genoegzame waarborg ligt, dat die plicht zal worden vervuld. Daarop komt het hier aan.

Sluiten