Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemeente, omdat zij niet vermogend genoeg is, niet naar behooren kan voorzien. Dit is inzonderheid ook in de .Memorie van Toelichting, dunkt mij, duidelijk uitgedrukt in eene van de voorlaatste alinea's, waar gezegd wordt: „In de laatste jaren werd ook door sommige provinciën in de uitgaven voor de belangrijke werken, door gemeenten of andere besturen uitgevoerd, niet zelden eene som gedragen, gelijkstaande met de helft van hetgeen de krachten der ondernemers te boven ging, en werd alsdan de andere helft ten laste van het Rijk genomen. Wordt die regel meer algemeen gevolgd, dan schijnt het algemeen, provinciaal en gemeentebelang veelal, zooveel kan, behoorlijk tegen elkaar gewogen." Dit is de regel, dien ik wensch, ingevolge dit ontwerp van wet, in werking te brengen.

De geachte spreker meende (en dan had hij, zoo schijnt het, tegen het ontwerp geen bezwaar meer), dat hier alleen sprake was van verarmde gemeenten; het bleek hem evenwel dat niet alleen op zoodanige gemeenten het oog is gevestigd, maar op gemeenten in het algemeen, die werken, tot instandhouding van het gemeentebelang vereischt, niet uit eigen middelen kunnen bekostigen; dit gaat, zegt de geachte spreker, te ver. Eene gemeente wil bijv. eene kazerne bouwen; dit zou kunnen zijn in het belang van het Rijk, maar het is geenszins in het belang der provincie. Of de gemeente kan liggen op de uiterste grens van eene provincie, en het werk dat zij wil aanleggen, bijv. eene haven, kan van veel minder belang zijn voor de provincie waarin die gemeente gelegen is, dan voor eene naburige; en nu zou evenwel de provincie, waarin de gemeente ligt, gedwongen worden om de helft in dat wat de gemeente zelve niet dragen kan, voor hare rekening te nemen; of wel de som kan uiterst groot zijn, zoodat de last, op de provincie te leggen, te zwaar zou worden. Rotterdam bijv. wil eene brug over de Maas leggen; die brug zou een millioen kosten, en nu zal het gevolg, dat de spreker van dit ontwerp ducht, zijn, dat een half millioen kan gebracht worden ten laste van de provincie. Maar dit is — de spreker houde het mij ten goede zoo ik de aanmerking in het voorbijgaan maak — de vraag niet. De eerste vraag is, hoeveel de stad Rotterdam in de kosten zal kunnen dragen, wanneer het leggen van die brug over de Maas onmisbaar wordt gekeurd.

De geachte spreker komt na die beschouwingen tot een besluit, dat vrij wel strookt met de meening van den geachten spreker uit Friesland (den heer Jongstra), elk geval te beoordeelen in het bijzonder; bij elke behoefte die in eene gemeente ontstaat, eene bijzondere wet te maken, bepalende wat door de provincie, wat door het Rijk zal worden gedragen. Dit besluit, Mijne Heeren, komt mij voor strijdig te wezen met den aard en het karakter van onze wetgevende macht.

De bezwaren zelve van den geachten spreker tegen het ontwerp,

Sluiten