Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17 Juli. De behandeling van het wetsontwerp tot regeling der strafwetgevende macht der waterschapsbesturen was aan de orde.

Ik verneem dat het getal tegenwoordige leden veertig bedraagt, dat is weinig meer dan de helft. Het ontwerp van wet, dat nu aan de orde is, komt mij voor van het hoogste gewicht te zijn. Het is niet enkel een maatregel van overgang, maar eene voordracht, om te doen blijken of er tusschen het Gouvernement en de Kamer overeenstemming is van denkwijze ten aanzien van hoofdbeginsels, die in het vervolg het bestuur van den waterstaat zullen moeten regeeren. Wanneer in dit opzicht mijne overtuiging niet mocht zijn die van de Kamer, ik zou gelooven dat mij de middelen ontbraken om een zoo gewichtig deel van ons bestuur behoorlijk te handhaven. Het onderwerp verdient, dat er van alle zijden licht over verspreid worde, en de Kamer voltallig in de gelegenheid zij daarover hare denkwijze te doen kennen. Van wege het gewicht der zaak, naar mijn inzien steeds een der belangrijkste takken van de regeering hier te lande, heb ik de eer der Kamer voor te stellen dat zij, bij het klein aantal tegenwoordige leden, goedvinde de discussie uit te stellen desnoods tot den aanvang van de volgende zitting. Ik doe dit voorstel met leedwezen; ik had bijzonder gaarne de beraadslaging thans zien aanvangen en hier ten einde gebracht.

Eerste Kamer. 17 September. Beraadslaging over de conclusie van het rapport der commissie voor de verzoekschriften omtrent een adres van II. Bus. De commissie stelde voor, het adres ter griffie neder te leggen ter inzage voor de leden en ervan „bij afschrift mededeeling te doen aan den Minister van Binnenlandsche Zaken." De heer Sasse van IJsselt stelde voor, daaraan toe te voegen „met verzoek om inlichting."

Ik zal gaarne worden uitgenoodigd aan de Kamer inlichtingen te geven. Het voorstel van den geachten spreker uit Noordbrabant is geheel in mijn geest. Ik heb mij ook vroeger niet kunnen voorstellen, wat in den regel verzending van petitiën naar den Minister beteekent, zoo het niet geschiedt om inlichting. Denkelijk zou in dit geval, ook zonder die bijvoeging, inlichting aan de Kamer niet zijn onthouden. De vraag om inlichting zal mij echter welkom zijn. Ik geloof, dat de Kamer het zal goedvinden, zoo ik mij thans tot deze verklaring bepaal, zoo ik aan de Kamer de gelegenheid geve, het request in tc zien voor het in discussie komt, en van mijne zijde den tijd neem, om mij hetgeen voorgevallen is, duidelijk te herinneren.

Sluiten