Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij armlastig zijn, worden geoordeeld in de termen te verkeeren, om te worden ondersteund." Volgens dat ontwerp is dus iedereen, ieder bestuur, particulier, diakonie, vrijgelaten ten aanzien van zijn oordeel, of een bepaald individu onderstand behoeft. Hoe dus dat artikel, hoe de arm wet in verband kan worden gesteld met dit ontwerp, is mij onverklaarbaar.

De geachte spreker is teruggekomen op het bezwaar uit de Grondwet ontleend. Hij zegt: alleen Provinciale Staten mogen beslissen, of het in liet provinciaal belang is eene behoeftige gemeente te ondersteunen. Waarom? De geachte spreker zal bij nadere lezing van de provinciale wet zien dat die wet zoodanige regeling, zoodanige volstrekte vrijheid van de Provinciale Staten niet aanneemt. De provinciale wet stelt perken, en zoo perken aan de volstrekte provinciale vrijheid kunnen worden en inderdaad zijn gesteld bij de wet, dan is het in het eigen systeem van de wet, te zeggen, dat de provincie, zoo zij haren plicht verzaakt ten aanzien van een harer leden of deelen, tot de betrachting van dien plicht kan worden genoodzaakt. De wet zal dus wel mogen verklaren, dat het niet laten vergaan door de schuld van de provincie, van eene gemeente die deel is van de provincie, tot de provinciale huishouding behoort, en onder de bescherming van het provinciaal bestuur behoort te worden geplaatst. Ik meen ook, dat de zelfregeering, die aan de deelen toekomt in een geheel, dat al die deelen omvat en omsluit, — dat zoodanige zelfregecring als daarmede overeenkomstig, door dit ontwerp geenszins wordt uitgesloten. Ik hecht aan die zelfregeering veel, en ik meen dat ik geholpen heb de grondslagen van die zelfregeering te leggen èn in de provinciale èn in de gemeentewet; ik zal ze niet willen afbreken noch door dit noch door eenig ander ontwerp van wet dat van mij zou voortkomen. Het verschil tusschen den geachten spreker en mij ligt dus in hetgeen zelfregeering van eene provincie of van eene gemeente kan zijn. Hij verstaat daaronder eene volstrekte onafhankelijkheid, eene onvoorwaardelijke zelfstandigheid, en ik meen dat aan de gedeelten van een geheel eene volstrekte onafhankelijkheid, eene onvoorwaardelijke zelfstandigheid niet kan worden toegekend, tenzij men het geheel verbreke.

Ik meende op de redenen, die de geachte spreker uit de Grondwet had ontleend, dezen ochtend te hebben geantwoord, maar hij heeft, dat voorbijgaande, gezegd dat mijn voornaamste betoog was ontleend aan de noodzakelijkheid, gebleken in het voorbeeld van de handeling van de Provinciale Staten van Overijsel ten aanzien van Schokland. Ik heb als hoofdreden, meen ik, vooropgesteld, dat ieder lid in eene staatshuishouding, de provincie, de gemeente, de Staat zelf, verplicht is te zorgen voor het behoud zijner organen. Ik meen dat daartoe verplicht is de gemeente ten aanzien van hare onderdeden, de provincie ten aanzien van hare gemeenten, de Staat ten aanzien van de

Sluiten