Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar in hetgeen tot meerdere ontwikkeling, tot meerdere kracht van die streken leidt. En in dit ontwerp van wet strekt de toepassing van het beginsel van verplichting voor de provincie zich niet verder uit dan tot hetgeen noodzakelijk is tot levensonderhoud. Zou nu een beginsel, dat voor iedere provincie geldt ten aanzien van hare verschillende deelen, voor iedere gemeente ten aanzien v:m hare onderdeden, vooral daar, waar, zooals in sommige provinciën plaats vindt, de gemeenten in onderdeelen zijn onderscheiden, eene onderscheiding, die in het vervolg bij vereeniging van gemeenten meer en meer algemeen zal worden, — zou nu datzelfde beginsel hier onaannemelijk zijn en tegen de Grondwet aandruischen, of van gevaarlijke gevolgen worden geacht; datzelfde beginsel, waarvan de toepassing hier binnen zoo uiterst enge grenzen is beperkt? Daarin, meen ik, is het antwoord gelegen aan den geachten spreker uit Zevenaar, zoowel ten aanzien van de waarborgen tegen misbruik, die hij verlangt, als ten aanzien van de gevolgen. Alles, heeft de geachte spreker gezegd, hangt af van het individueel gevoelen van den Minister. Maar hij stelt zich dan den Minister niet voor in die betrekking tot de Landsvertegenwoordiging, tot de provinciale vertegenwoordiging, in welke betrekking hij alleen kan handelen. Dat is een antwoord op het bezwaar, door den geachten spreker ook geopperd; er staat, zeide hij, niet in de wet, dat de schatkist moet bijdragen. Het komt mij voor, dat het onmogelijk is, deze wet toe te passen zonder dat de schatkist bijdrage; men zou ten halve handelen; men zou iets opleggen aan de provincie hetgeen de gemeente toch niet voldeed, dus nutteloozen dwang plegen, hetgeen in niemand kan opkomen en waarvoor eene redelijke reden niet is te verzinnen.

Het derde en laatste punt hetwelk ik nog bijzonder aan de aandacht der Kamer wil aanbevelen, is de behoefte aan deze wet. Zonder deze

wet, — hetgeen de Vertegenwoordiging niet zal en kan willen, zal

het Gouvernement in den steek worden gelaten. Wat is er gebeurd? Ik moet tot Schokland terugkecren, hoe treurig het oord zij. De provincie Overijsel heeft jaren lang die uitgaven gedaan en zich plotseling onttrokken. Ik bracht die uitgaven op de begrooting omdat de gemeente ze niet kon dragen. Wat zegt nu de Tweede Kamer? Zij zegt, dat is eene uitgave die niet op de begrooting behoort , die de Landsbegrooting niet behoeft te dragen. Ik antwoord, dat het mij billijk voorkomt, dat in zulke gevallen althans, soms, wellicht veelvuldig, de Staat ook bijdrage; dat ik een ontwerp zal voordragen om zoodanige verplichting te regelen, wanneer die door de provincie mocht worden miskend. Wat is nu het geval, zoo een tak van de Vertegenwoordiging zoodanigen post voor eene gemeente, aan welke de provincie niets geeft, en die evenwel zonder hulp niet kan bestaan, op de begrooting niet wil dulden? Dan is er geen middel. Ziedaar waarom dit voorstel mij schijnt eene wet te zijn, die onder de noodzakelijke

Sluiten