Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE TIJDVAK (1600-1795).

III. DE ACHTTIENDE EEUW.

Algemeene opmerkingen.

In de 18° eeuw, hot tijdvak van weelde, rust, liefhebberijen en deftigheid, deed de invloed der Dichtgenootschappen zich steeds sterker gevoelen. Het dichten werd een handwerk, dat ieder door gestadige oefening en door bestudeering van „de theorie," kon aanleoren. Geen wonder dat kracht, oorspronkelijkheid en geestdrift zelden gevonden worden in de poëzie der „genootschappers." Juist hij, die trachtte zichzelf te zijn, werd veroordeeld. De middelmatigheid had het hoogste woord, en door onderlinge bewierooking in den vorm van snorkende lofdichten , maakte men elkander w'ijs, dat men Vondel, Hooft en van der Goes nog voorbijstreefde. Trouwens bij deze laatsten trof men wel eens „harde" '), ruwe versregels aan, terwijl de „dichtgenootschappers" zoo lang „verbeterden," schaafden en polijstten, dat hun verzen „onberispelijk" werden.

Zoo keurde men regels van Vondel, (Gysbrecht van Aemstel vs. 1), als deze, beslist af:

Het Hemelsche gereght hééft sich ten lange lesten Erbarremt over my, en myn benaeude vesten, enz.

1) Een „hard" vers is een versregel, waarvan rhythme en meirum tegen elkander ingaan; dekken rhylhme en meirum elkaar, dan spreekt men van een „glad vers." Vergel. de gegeven voorbeelden, v. Schothorst. II. 1

Sluiten