Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daer lacht en speelt het nu zoo schoon, Rontom den hoogsten troon; 15 En spreit de wiekjes luchtigh uit,

Door wee noch smart gestuit. ' O bloem van dertien dagen,

Uw heil verbiedt ons 't klagen.

§ 3. Justus van Effen (1684—1735).

Is de 18e eeuw bij ons arm aan dichters van eenige beteekenis, van het proza bezit zij gelukkige beoefenaars, onder wie Justus van Effen een voorname plaats bekleedt.

Hij werd in 1684 te Utrecht uit aanzienlijke maar ongefortuneerde ouders geboren en bezocht er het gymnasium, waar hij een der beste leerlingen was. Zijn vader verloor hij, nog voor hij zijn studiën aan de academie volbracht had, zoodat hij reeds vroeg in zijn eigen onderhoud moest voorzien. Hij werd achtereenvolgens gouverneur bij verschillende aanzienlijke families en was een paar malen mentor van een student van deftigen huize. Eerst op zijn 41ste jaar (1727) promoveerde hij in de rechten, kort nadat zijn discipel den meestersgraad had verworven.

Had hij reeds bij de troonsbestijging van George I (1714) als „klerk" van baron van Wassenaar, buitengewoon Ambassadeur der Republiek, een reis naar Londen gemaakt, in 1727, bij de kroning van George II, ging hij, maar nu als gezantschapssecretaris van den Graaf van Weideren eveneens buitengewoon ambassadeur, voor de tweede maal naar het Engelsche hof.

Beide reizen, waardoor hij met de groote Engelsche schrijvers, o. a. Addison en Steele, in persoonlijke aanraking kwam, zijn voor de ontwikkeling en vorming van zijn geest van grooten invloed geweest.

Na de tweede reis blijft hij nog eenigen tijd bij den Graaf van Weideren, tot hij in 1732 de betrekking aanvaardt van Commies bij 's Lands magazijnen te 's Hertogenbosch. Dan treedt hij in 't huwelijk, maar kan slechts enkele jaren van ongestoord geluk

Sluiten