Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een stoofje onder haar voorschoot, waarschynlyk om haar moeder op te wagten, een liupsche, deugdzame Weduwe, die, met voor de luyden (geholpen door dit haar eenig kint) linden te naven, fatsoenlyk aan do kost weet te komen. Dowyl Agnietje wat heen en weer "trentelde, komt er een timmermans knegt, een wakkere welgemaakte jonge (dog die met veel ouder zynde als 't meisje, er nog zo wat lobbesagtig uitzag°) met zyn hoedje in de hand en met al de tekenen van schroomagtigherd naar haar toe treden. Terstond scheen ze eenigzins ontzet in huis te willen gaan, wanneer ze aldus door den jongman wierd aangesprooken : Og, buurvrijstertje, iceest tog niet batig voor mtj, dat bid ik je. Ik zou immers geen kind kwaad doen, 'k laat staan dan jou; ik wou je maar verzoeken , mijn zoete kind, of ik mijn pupje, dat uitgegaan is, eens aan je testje mogt opsteeken. Deze woorden, met een bevende stem uitgegprooken en die eer scheenon te komen van iemand, die bevreest was, als die een ander vervaart wilde maken, stelden .Agnietje gerust. Og ja, vriendje, antwoordde ze, 't is zeer tot je dienst, maar wat scheeld je tog, t is puur, of je ontsteld waart. Daar op reikte ze haar testje over. Dat ben ik, mijn lieve kind, hernam hy, en als je me een oogenblikje tydt wilt geven, zal ik je de retde wel zeggen. Onderwylen was hy bezig mot, zo langzaam als 't mooglyk was, zyn tabak vuur te doen vatten, terwyl ieder uitblazing van den rook in een tedere zugt veranderde. Eindelyk wat tot bedaren gekomen zynde: Ken je me dan niet, buurdogtertje, sprak de goede hals. Wel, me dunkt, antwoordde ze, dat je me aan 't oog hangt, en dat ik je meer als eens hier voorby heb zien gaan. Dat en is geen wonder zeeker, hervatte de vryer, og, ik ben hier meer als hondert maal voorbij gekomen, maar ik heb je nooit durven aanspreeken, H was of ik de koors op 't lyf kreeg, als ik maar een voet naatje toe wou zetten. Maar ik heb evenwel nou men stoute schottien omgetrokken. Hoor, het hoogste woord moet 'er uit. Zonder dat kan ik tog nagt nog dag om jouwent wil niet rusten, en ik (wil) hoopen, myn lieve kind, dat je 't me ten beste zult houden en niet kwaad 'er om tegen me worden, want hoe kan ik het gebeeteren, dat ik je zo lief heb, en dat kan

immers jou 't minste kwaad niet doen Ei, hoort me die malle jongen

eens aan! sprak Agnietje hier op, wat kan hy zoet keuzolen, zou me niet denken, dat hy 't meende ? Kom, kom, jy vryer, dat pyp aansteeken duurt wat te lang, je hebt de regte niet voor, vriendje, dat verzeker ik je. Had ik geweeten, dat je hier kwam, om de gek wat met me te steken, je zoud men test niet gehad hebben; kom, lustig, jy vriendje, geef jy de test maar gauw weer over, en marcheer maar of naar andere meisjes, die zoo gek zyn, dat ze aan zulke praatjes geloof slaan. Ik de gek met jou steeken ? ik de gek met jou steeken? zie, als ik zulke woorden van je hoor, dan is 't, of 'er een mes deur men hart gaat. Og mijn Engel, og mijn hartje lief, geloof dat van mij niet, daar is zo een ziertje valsheid in men heek hart van onder tot

Sluiten