Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

honen niet; dat zal de heele waereld van me moeten getuigen, myn alderliefste bekje. Kom, kom maar, wierd 'er hem op toegevoegt, talm maar niot, geef me maar aanstonds mijn test weerom, ik moet in huis gaan, en daarby, ik heet geen bekje, geen hartje, geen Engeltje, en ik versta niot, dat je me dio malle namen langer geeft: Agnietje ben ik gedoopt^ en zo moet jo me heeten, als je me wat to zeggen hebt. Wel nou dan, Agnietje lief, hervatte de vryer zeer ontzet door de spytigheid van 't meisje, ik wist niet, dat ik 'er aan misdeed: die woordjes die zyn me zo van zelf in den mond gekoomen, zonder dat ik 'er na gezogt heb. Ik ben nog onbedreeven in de waereld, en jy bent, zoo waar als ik leef, de eerste dogter, die ik nog oit of oit aangesprooken heb; nou, ik zal m 'er in het toekomende voor wagten, mijn alderliefste Agnietje lief; Kom, laat ik je testje weer in je stoofje zetten; maar ik bid je, staa men nog maar een etnig ogenblikje te woord: wat zou je daar nouw (tan hebben, dat ik van droefheid ziek wierd; Je hoejt niet te gelooven, 't geen ik je zelf zeg, dat weet ik immers wel: maar laat na me hooren. Myn ouders woonen hier

digte by in de straat, tn staan by ieder voor brave, degelyke luy

bekend; ik ben 'er eeniyste zeun, en heb maar eene mester; ze kunnen 't vry wel stellen, en ik kan een goed ambagt, dat ik neerstig waarneem. Daar by heb ik nog een oud Motje, dat 'er warmtjes inzit en van 'er ventjes leeft; ze houd zo veul van me, of ik 'er eige kind waar, en men sus en ik moeten al 't goedje van 'er erven; zo dat ik met 'er tyd Baas kan worden en van jou, myn zoete Agnietje lief, een gelukkige vrouw maken. Daar by ziet me niemant oit in kroegen of herbergen: ik ga alle Zondag te kerk, en teugen Paaschen hoop ik ine belydenis te doen. Zie, dat zal je alles van me zo vernemen, als ik het je daar zeg, en zo ik je 't minste leugentje op de mouw spel, zo mag ik wel lyden, dat ik men leven je lief bakkes je niet meer en zie, en dat 's immers al wat men zeggen kan. Dit alles had myn buurmeisje met al te veel oplettendheid aangehoort, om het met onverschilligheid aan te horen. Hoor, Buurvryer, gaf ze hem eindelyk met een zagtzinniger toon tot antwoord, al 't geen je daar gezeid hebt, kan wel waar wezen, ik heb zulke kwade gedachten niet van men evennaaste, dat ik daar aan twyö'elen wil; maar ik hoef daar niot na te vernemen, ik heb 'er niet meê te doen; 't zyn zaken, die buiten my zyn. Hebben je Ouwers, en je Motje geld en goed, zo veel te beter voor jou, ik wensch je goeden avond, ik moet na binnen gaan. Moeder staat zo aanstonds t'huis te komen, en zoo ze me hier met een manspersoon zo laat zag praten, daar zou een leven leggen als een oordeel, en de Vrouw zou gelyk hebben ook Hier op vatte de Vryer Agnietje met een vriendelyke dwang by de hand, en verzocht haar met een hikkende stem (en ik geloof waarlyk, dat de goede bloed wezentlijk tranen stortte), hem zo ongetroost niet weg te zenden: Ik bid je, zo lief als ik je heb, myn zoete Agnietje, van nog een beetje te blijven; hoe zou 'tvjn je hart kunnen, me zoo te laten gaan, daar je zo

Sluiten