Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toebeet: foei, Jacob; want Kobus was reeds al Jacob geworden, en al Jus zullen we hem in 't vervolg noemen. De pottagie opgenooinen zynde, wierd 'er een groote en keurlyke runderribbe in de plaats gezet, tusschen twee schotels grauw erten en was aan d'anderen kant verzelt inet een slaatje en wat gestoofde appeltjes Zie, daar heb je 'tal, vrienden, sprak Yader, zo dra alles in order was, je moet het zo voor lief nemen. De liarte-pastey staat in 't midden, en hoe meer je eet, al zou je my de beenen maar overlaten, hoe meer plezier je me doen zult. Na dit hartelyk compliment kwam het aan op 't opsnyden van den harst, en mids ik zag, dat niemand aan dit zwaarwigtig werk de hand dorst slaan, was ik gedienstig genoeg, hoewel in allen delen een slegt opsnyer, om de zaak te ondernemen. Schoon ik 'er eer stukken afhakte en afzaagde, als behoorlyk afsneed, wierd myne bekwaamheid in 't algemeen tot den hoogsten top opgevyzelt, en ieder wierd naar zyn genoegen gedient, Jacob, die zyn liefje nevens haar moeder en my met een york zag eeten, door zijn' eerste misslag op zyn hoede zynde, bezogt zulks mede, en voor de eerste reize ging zulks al vry wel; want waar in slaagt de liefde niet. Yader keek die wellevendheid van zyn kind met aandagt aan. Wel jongen, sprak hy , waar mag je tog geleerd hebben, met een vork te eeten ? en V gaat je nog alwel oj ooi. II el nouw, liou jy jou by die hoofsche mode; Ik zou wel mee doen; maar, hoor, tk ben te oud, om van gewoonte te veranderen. Ik ben tot die grootsche zwier niet opgevoed. Je Moeder en ik, jongen (vergeet het je leven niet, al kwam je tot nog sulken staat), bennen hier in het burger-weeshuis groot gebrogt, en we litbben het van de grond of moeten ophaalen, zonder, Goddank, onze conscientie, of iemand te kort te doen, en terwyl we een stuivertje voor de kinders overgegaart hebben , zo tmugen we wel lyden, dat ze fatzoenlyker zyn als wy; zeg me wie ik ben, en niet wie ik geweest ben, zegt het ouwe Hollandsche spreekwoord, wat zeg jy, Moeder. Eer heit je hart, Yader! sprak de goede Vrouw daar op, wy willen ons niet uitgeven voor 't geen we niet bennen, gelyk 'er meenig is, die op een stroowis is komen aandryven; maar niemant heit iets op ons te zeggen en een duit op ons te prittenderen, en we meugen onze ooren schudden, dat ze klappen. Ondertusschen at nog dronk de goede Jacob bykans iets; hy verzadigde zig, en maakte zig als dronken in 't aanzien van zyn bekje. Hij bekeek haar zonder ophouden, als of hy haar voor de eerste reize van zyn leven zag, of wel, als of hy haar noit weder zien zou. Men zou gezworen hebben, dat hy stom en doof was, behalven als hy iets met Agnietje te verhandelen had. Hoewel hy haar voor vast het eeten niet misgunde, vatte hy haar geduurig by de regter hand en keek dezelve aan, als of hy 'er zyn maal mee doen wou; dog liet ze tienmaal in een kwartier uur los op d'eene of d'andere van de volgende berispingen: schaam je u niet, Jacob; ei wat, hou tog je fatsoen; foey, wat denken de mensdien wel. Daar op miste Jacob niet, altyd excuus

Sluiten