Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25 Ja, goot gy dan de onafgepeilde stromen

Des oceaans daar op, gy bluschte 't vuur niet uit: Hoe zal de rede hot betomen,

Zy, die hare oogen pas ontsluit!

Gelyk Aurore, in 'toosten doorgeblonken,

30 Ja, nog veel schooner staat de wellust in haar praal: Haar adem is de pest, haar lonken Verdelgen als de blixemstraal.

In zulk een stryd ziet gy de dagen klimmen,

Gelyk het fris gebloemt zich opheft in een' tuin, 35 En word een man. Maar! ach! wat schimmen

Omcingelen op nieuws uw kruin!

Nu vlugt de slaap reeds in den vroegen morgen, Ja, somtyds heeft de nagt geheel voor u geen rust. Vermoeden, vrees, wantrouwen, zorgen 40 Verdoven kennis, yver, lust.

Nu ziet ge eerst klaar de broosheid aller dingen, Hoe min het wuft geluk naar breidel hoort en toom, En hoe de staat der stervelingen Gelyk is aan een' vluggen droom.

45 Terwyl de vreugde u bloemen schynt. te geven,

Ach, zieldoorgrievend nieuws! ontrukt u 't lot een vrind, Een' vrouw, beminder dan het leven, Of 't waardste pand, het liefste kind.

Vlugt dan, rys vry naar afgelegen staten,

50 Zeil door de middellyn naar 't verre Zuiderland, Hun denkbeeld zal u nooit verlaten:

Het staat, het wagt u reeds op strand.

Do droefheid is gelyk aan wreede dieren,

Verwoeder dan een leeuw, in netten styf verward, 55 Doorknagende, als een worm, de nieren,

Verscheurende, als een gier, het hart.

Wie koomt daar aan, vermoeid en neergebogen? Zyn wenkbraauw is gelyk aan 't ingaan van de nagt, De glans der maan is in zyne oogen, 60 Zyn kruin is 't zwerk, met sneeuw bevragt.

Sluiten