Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonden; doch gy zult geen occasie hebben om ze op 't vuur te smytetl. Wat zeg je; wat blief je; weet ik van de zaak ? Ik heb zo veel achting voor brave vrome menschen als iemand in de Waerold, maar al je gekwaek, en al je geteem is geen snuifje waart; op myn eer, dat is het niot. Ik weet meer van joului werk der Duisternis dan je denkt; ik ken dat lieflyk Oeffening houden; de goeijon niet te na gesproken; want ik wil allen niet met één kwast overstryken. Maar gy en uwe Soci, daar heb ik de nyd op. Wat weet zo een luije Zuipzak van Gods Woord? Hadt hy liever voor 't lieve Vaderland, (en allo zoete meisjes) Ossen en Schapen geslagt, hy zou een veel netter werk gedaan hebben. Hoe! hebben wy in Amsterdam dan geen wyze Dominéés, die werk van hunne studie maken, en kunnen wy daar niet Kokseaansche, Voetsiaansche en Lampiaansche Waarheden horen? maar neen, die goeije menschen klagen over yverloosheid, en velen preken, God betert, ook voor stoelen en banken; en in je lui Kamers zitten de Vroompjes gepakt als haring in de ton; zo dat ik wil maar zeggen, dat ik een vyand van zulke Oefïeningen ben.

Zie daar Zusje, nu heb ik ook eens gewerkt in uwen zondigen Wyngaert; ja, ja! ik heb de ranken zo verbruit gesnoeit, dat, zo er nog iets goeds van zal komen, het volgende jaar goede vruchten zal leveren. Ik twyffel, of Broer de Uitlegger u, voor alle uwe Smulpartytjes, wel zo vele heilzame waarheden gelevert heeft, dan gy hier ontvangt voor ééne Fransche Briefport.

Om u aan den Drommel over te geven, (in plaats van myne Pupil), denk ik dat het nu te laat is; en ook, hoe boos ik op u ben, ik wensch uit grond van myn hart, dat gy u verbeterde; gy zyt wel oud; doch men is nooit te oud om iets goeds te leren; gy waart toch in uw jeugd nog al een rare schommel; hoe kom je zo verandert?

Ik wil geen katteschrift meer van u ontfangen, zo gy u niet bekeert; daarom wordt alles in eens afgedaan door

Abraham Blankaart.

B. Uit: HISTORIE VAN DEN HEER WILLEM LEEVEND.

1. Vier-en-Dertigste Brief. (Dl. I).

Mejuffrouw Alida Leevexd aan Mejuffrouw Petronella Rekard.

Nu Trees, immers nu denk ik, dat gy knorrig op my zyt. Ik zal, voor ik my van u af begeef, dit eerst nog eens onderzoeken. Ik zal zien, of ik u kan doen lachen, en dan zou Heintje Peuzel er mee

Sluiten