Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik smeek om niets, hoe kwynend, hoe bedroefd, Gy ziet me een prooi van myn bedwelmde zinnen,

Gy weet alleen het geen uw kind behoeft,

En mint het meer, dan 't ooit zich zelf kan minnen.

Geef, Vader, geef aan uw onwetend kroost, Hetgeen het zelf niet durft, niet weet te vragen!

Ik buig my jieêr; ik smeek noch kruis, noch troost; Gy, doe naar uw ontfermend welbehagen!

Ja, wond of hoel; verhef of druk my neêr; 'k Aanbid uw wil, hoe duister in myne oogen,

Ik offer me op, en zwyg, en wonsch niet meer; 'k Berust in U, ziedaar myn eenigst pogen!

Ik zie op U met kinderlyk ontzag;

Met Christen hoop, noch laauw noch ongeduldig;

Ach, leer Gy my het geen ik bidden mag!

Bid zelf in my, zoo is myn beê onschuldig.

1796.

B. DE WAARHEID EN EZOPUS).

(Naar Aubert).

't Was eenmaal Kermis op het Land:

De blyde Boerenjeugd Sprong vrolyk dartiend hand aan hand, In onbepaalde vreugd

Men zag er menig kraam en tent,

Daar alles was te koop :

Daar wierd een macht van Koek gevent, En Brandewyn met stroop

Ook was er een Tooneel gewrocht,

Daar stond een oud Doktoor, Die pillen voor de dood verkocht, En brillen voor 't gehoor.

Hy riep de Boeren by elkaiV,

En bood zyn prullen rond, En maakte van zyn valsche waar Zyn kranke beurs gezond.

Men zag er nog oen Afrikaan, Pesmeerd met schoorsteenroot,

Die toonde daar een Weêrwolf aan, Getemd aan Zemblaas voet.

En, nevens hem, een Samojeed, Die, onder veel geschreeuw,

Op een der grootsto honden reed, Betyteld als een Leeuw.

Men vond er een geschoren Beer, Die opsprong door een ring,

Of klauterde op een steile leêr, En voor een Boschmensch ging.

Jan Klaasen stond er als een Yorst; Jack Pudding stond er by;

En Jeau Potage met Hansworst Gemonsterd op een ry.

Sluiten