Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zy kyken. Maar met d' eersten blik

Deinst ieder achter uit:

„Zou ik dat wezen kunnen? Ik?" Is 't algemeen geluid.

„Wel foei! heb ik zoo'n trouwloos hart ?

Zoo'n doorbedorven aart:" — „Wel foei! Is myn gemoed zoo zwart? Myn inborst zoo onwaard?"

„Wel foei! dat is een wolventrek!

Een Ezels onverstand!" — „Vervloekt! men houdt ons hier voor gek! Dat vrouwmensch moest verbrand!" —

Vergeefs is 't, of de Waarheid zoit:

„Sus, vrienden! zyt bedaard. De spiegel heeft u niet misleid, Gy ziet uw rechten aart.

„Verbetert u, zoo als 't betaamt,

Nu gy u-zelve kent;

Zoo maakt het glas u niot beschaamd , Wanneer go er 't oog op wendt." —

„Ik ben zoo niet! Dat 's enkel Nyd

Van deze Tooverkol!"

Dus roept, dus schreeuwt hot wyd en zyd', En alles raast als dol.

„Zy liegt met heur betooverd glas!

Zy liegt on steelt ons gold.

Geen Duivel ooit, hoe zwart hy was, Is zoo ten toon gesteld."

„Flux, mannen, steenen opgeraapt!

Weg moet zy met heur tent!

En die den bek haar openjaapt,

Dat is een brave vent!"

Straks haalt men daar de loots om voer,

En alles vliegt in roer;

Doch eindlyk geoft men 't kykgeld weêr, En stilt het woest rumoer.

Do Waarheid redde met do vlucht

Heur lyf en spiegel nog; „Ach! (sprak zy , met een diepen zucht) Men wil hier slechts bedrog." —

Dit hoorde Ezopus met de bult,

Die op do Kermis was.

„'t Is (zei hy) Waarheids eigen schuld, En niet de fout van 't glas.

„Zy sta het my een tyd lang af,

En zoo ik voor heur schaa Haar geen driedubblo winst verschaf!', Wys my met vingers na!" —

Do Waarheid wordt dit ras gewaar,

En geoft zich naar den man: „Ik maak u (zegt zy) eigenaar!

Neem gy de proef er van!" —

Hy richt een nieuwe schouwplaats op,

Maar in een weitser trant;

En zet een spiegel op den top, Met uitgesneden rand.

Do muur, met schilderwerk bedekt,

Toont yelerlei gediert',

'tGeen do aandacht van 't gepeupel trekt, Dat in den omtrek zwiert.

Nu roept men aan de ontsloten deur:

„Treedt binnen, goede liên!

Hier hebt gy allerhande keur Van vreemdigheên to zien.

„Hier ziet ge en Leeuw- en Wolvenaart,

De woede van een Beer;

Do listen van den Vossenstaart; En honderd zaken meer.

„iJie ziet gy in een spiegelglas,

Voor oenen stuiver maar!

Een ding, waar van geen weerga was

Tn ninnp <1an tlniyarwl ianr

Sluiten