Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het lamplicht knapt; en flikkert op, Als oogde 't naar haar om;

Maar zy verbergt zich 't aangezicht, En 't snorrend wiel wordt stom. —

„„Myn ramp, myn Vaderlvke ramp, (Dus zegt de vreemde gast)

Heeft, teedre vrouw, u 't hart ontroerd, Uw zacht gevoel verrast.

„„Heb dank voor zulk een derenis; En de alvoorziene God,

Zoo ge eenmaal blyde moeder wordt, Behoede u voor myn lot!

,,„Beproef, ó teedre, proef het nooit, Hoe Oudrenboezem treurt,

Wanneer men uit het ingewand Hot hart voelt weggescheurd!" —

„ö Hemel! (roept zy) hemel, ach!" — Een onmacht grypt haar aan.

Haar Maagd schiet toe, de Gryzaard Hoe zal het hier vergaan ? schrikt.

Men sprenkelt haar 't ontverfd gelaat Met frisch geschepte born;

Men houdt ze een vlas wiek v lammend voor, Met rookende eikelkorn.

Zy gilt! verwildert heft zy 'toog, En slaat het woest in 't rond;

Maar 't sluit zich door een stuiptrek weer, Met saauageschroefden mond.

De tanden kleppren op elkaar, Of klemmen styf op één;

En 't lichaam, van zyne angst vermast, Blyft roerloos als een steen. —

Nu klinkt de jachthoorn door de lucht, En davert aan de poort.

Die schok hergeeft haar d' ademtocht: Zy heeft de stem gehoord.

„'t Is Heusden! (roept zy) Hemel, dank!

Ja, 't is myn Echtgenoot! Zyn weêrkomst vloog myn hoop vooruit; Hy redt my van de dood!" —

Men opende; — de Riddor stygt Langs d'ouden marmertrap: — Men hoort door 't holle gangportaal Den weergalm van zyn stap. —

Daar vliegt hem de Ega nu om 't hart;

Daar zinkt zy aan zyn knie: „Ach (zegt ze) de Almacht zy geloofd, Dat ik u wederzie!" —

„Watdeertu,Dierbre?"— „Zieslechtsom!

Beschouw wie voor u staat;

En dan, Geliefde, vraag niet meer, Waarom my 't hart dus slaat." —

De schildknaap nadert met zyn toorts,

De Burchtzaal is verlicht: „Wat wonder! (roept de Ridder uit) Wat koomt my voor 't gezicht!

„Hoe! (zegt hy) Englands Koning hier!"

„„Hoe! Heusden!""(roept de Yorst). — En zy schreeuwt „ö myn vader!" uit, Met sidderende borst.

„ö! (Roept zy) ö vergeef!" — en valt

Dien Yader aan zyn voet; En Ethelyn, zich-zelf ontrukt,

Verstyft en kookt het bloed.

„„Ja (zegt hy), 'k ben die Ethelyn,

Die vader zonder kind,

Die 'thier den Roover wedereischt, In wiens geweld hy 't vindt.

„„Hergeef, gy, Roover! dees uw prooi — Of — sidder voor myn zwaard!""— „Ik siddren? ik!" roept Heusden uit, Kloekmoedig, maar bedaard:

Sluiten