Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den geest der revolutie hij met Oostersclie hartstochtelijkheid voortzette.

Hij werd in 1798 te Amsterdam uit een deftig PortugeeschIsraelietisch geslacht geboren, bezocht er het Athenaeum , studeerde onder Bilderdijk te Amsterdam en te Leiden in de Rechten en de Letteren, promoveerde in beide wetenschappen, en ging, vooral onder Bilderdijks invloed tot het Ned Hervormde geloof over (1822).

Had hij voor dien tijd een paar bundels poëzie uitgegeven, waarvan vooral zijn vertalingen van klassieken en de Gaaf der Poëzy (A.) bekend zijn, na zijn bekeering voelt hij zich in de eerste plaats geroepen als prediker van zijn nieuw geloof op te treden , en zijn tijdgenooten te waarschuwen tegen den veldwinnenden revolutiegeest. Krachtig deed hij dit in zijn vlugschrift Bezwaren tegen den geest der Eeuw (1823), waarin hij openlijk optrad tegen de nieuwere denkbeelden over Staat, Kerk en Maatschappij. Hier toont hij zich duidelijk den leerling van Bilderdijk, den drager van diens ideeën.

Tot 1840 wordt hij nu geheel in beslag genomen door zijn ijveren voor de verbreiding hunner denkbeelden; zijn vurige prediking gaf den stoot tot de godsdienstige herleving, bekend onder den naam van het Réveil.

Na ruim tien jaren van rust, werd echter in 1840 de dichter weer in hem wakker, en slingerde hij zijn

Vyf en twintig jaren,

een lied in 1840, den liberalen of „ongodisten" naar het hoofd.

Na in den klassiek-getinten voorzang, vol herinneringen aan de geschiedenis van zijn stam, en zijn eigen leven, zijn onderwerp meegedeeld te hebben (coupl. 15 en 16), laat hij achtereenvolgens verschillende wereldgebeurtenissen voor zijn oog herrijzen: den slag bij Waterloo (1815), de Hervorming (1517), den dood van Napoleon (1820), de uitvinding van de boekdrukkunst (1423), de Juli-revolutie en den 10-daagschen veldtocht (1830), om te eindigen met een lofzang op, maar tevens boetprediking voor het

Sluiten