Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. VIJF EN TWINTIG JAUEN.

Een lied in 1840.

Voorzang.

Kan het zyn, dat de lier, die sints lang niet meer ruischte,

die sints lang tot geen harten in dichtmuziek sprak, weêr op eens van verrukking en hemellust bru.schte, en in strooraende galmen het stilzwygen braW

Kan het zyn dat een ader, verstikt en vergeten, schoon eens mede van jeugdige zangtonen vol, thans op nieuw, door een stout maar gelukkig vermeten, in don zandgrond geraakt, weder uitschoot en zwol.

't Mochte zyn, dat een winter voorby waar gevaren,

en haar ys by de stralen der lentezon smolt; — dat — een reeks van onvruchtbaar vervlotene jaren door één oogst voor hot minst al die dorheid vergold.

Neen! de mensch mag zyn lente geen tweede maal smaken;

op zyn winter volgt nooit weer herleving en groei! dan alleen als dit stof eens zyn dooden zal slaken voor een eeuwige zon, voor een eindloozen bloei.

Evenwel heeft wellicht onze Dichtkunst haar tyden. —

o' De harp van myn stam heeft de wiss'ling geken van'gejuich en geklag, van verheffing en lyden van bevryding en lange - verdorrende ellend.

Heeft ze in glansrijker eeuw niet de hymmen doen ryzen,

waar de Dochter van Sion by opsprong in lof?

Waar nog heden de volken haar Koning in pryzen, schoon Jerusalems kroon ligt gedoken in 't stof?

En Jerusalem viel! en, Euphraat! aan uw boorden

hing het speeltuig ontsnaard in de wilgen verward!

Werd van daar ook niet nog in vermogende akkoorden prophecy en vertroosting gebracht tot het hart?

En nog later zong Juda, daar 't balling, zyn staf voert, of het waar' met een zweem van den vroegeren zwier, waar de Taag langs Lisbóa zyn goudkorrels afvoert, waar zich Cordua baadt in den Guadalquivir!

Ja, ook daar nog deed Isrel zyn liederen stygen,

op zich huwende Westersche en Oostersche wys

de Inquisitie daagde op, en de harptonen zwvgen, aan verstrooiende stormen geslingerd ten prys!

Sluiten