Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Net afgepast, Heer Pater! Hoor Die nieuwe klokken eens! niet waar? das trant! Zij hongen Daar veertien dagen lang doodstom: bij d'ou' Pastoor Van Lochera, mogt er zelfs geen pover kleppen door! „„Waartoe ze omhoog gehijscht, vóór 'twij'en?

Dat wordt alsnog vereischt, eer ik 't geweld zal lij'en."" Zoo zei Pastoor — en ging van honk —

En — 'tjonge volk zijn gang! Maar, nu 't zoo deftig klonk, Moest dat de zondaars toch van penitentie vrij'en?"

„Hoe, deugniet! Welk schandaal! Is dit een Christenland? Neen, de Antichrist heeft hier zijn oproervaan geplant! — En de aarde splijt nog niet?! Nog valt geen zwavelregen?!"

Dub stortte zich de galblaas van den Sant,

(Zijn ruin inmiddels afgestegen)

Op dit gekakel uit. 's Mans hevig blaken is Min ijvergloed, meer ergernis,

Om d'al te slinkschen trek, dien hem de hoogmoed speelde. Hij stapt, als of hij meê in 't Erf van Petrus deelde,

En Schepterdragers zonen hiet,

Te midden van een schaar, die naar 't gebombam luistert; En schreeuwt: „Heeft razernij hier ieders brein verduisterd!

Daar 't Kerkwet en Pastoor verbiedt,

Met Ongedoopte Klokken benglen!

Bij Sint Michiel en zijn tienduizend englen,

Geen priester zou' hij zijn, die zoo iets glippen liet!

Vloek treff' dat Klokkenpaar, dat onbevoegd durft klinken! Wat hóóg steeg zal te lager zinken:

Ik geef ze beide in Satans magt!"

Daar had de Booze hem gewacht!

Zijn Klokken nam hij beet: ten leidak uitgebroken,

Verschijnen ze in de lucht, met klagend nagebrom.

Maar — van de klepels had de Schenker niet gesproken,

En Heintjen wil voortaan geen Kerkeneigendom Dan met bewijslijk regt verkrijgen!

Hij rukt de Klepels, onder 't pijlsnel opwaart stijgen, De Klokken uit, en smakt ze naar beneên! —

Op welk een hoofd ? — helaas, op een. . .

Geschoren kruin! — de tong des Strafprofeets moet zwijgen! Dood! — of is 't minder erg — dan schier Zoo goed als dood ligt Pater Jaromir!

De Klokken middlerwjjl voltrekken

Haar aangevangen reis Twee Waterpoelen strekken

Sluiten