Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Judca's wijnstok groent hier niet;

Olijf, noch vijg teelt ons gebied; Gij gaardet hier, in raauwer lucht, Min weeldrig blad, min zoete vrucht: En toch, gij zit, uw lot getroost, Te midden van uw talrijk kroost; Uw Feesthut staat bij ons geplant, Als eens in 't Palestijnsche Land.

Drieduizend malen kwam de zon Terug, waar zij uw jaar begon,

En nog bouw' gij uw loovertent, Als Mozes u heeft ingeprent.

Jeruzalem ligt diep verneêrd;

Des Tempels grondslag omgekeerd;

Verduisterd blijft die gloriedag,

Toen Isrel beider grootheid zag;

Maar eeuwig jong herrijst uw tent ,

Bij aller volken tal gekend;

Zoo vaak de schaal, aan 's hemels boog,

Der dagen maat weêr effen woog.

Wij — tasten rond, in 't ongewiss'; Op onzk wieg ligt duisternis;

De stond, dat ons Gods wil hier bragt, Bleef ongevierd; werd niet gedacht!

Maar u heugt, dertig eeuwen door,

Dat u Jehova uitverkoor;

Dat, als 't geweld u vlugten deed, Een reddend spoor het diep doorsneed; Dat, zonder huisdak, levenslang, Uw schaar zwierf, op haar kronkelgang; Waar Vuur- en Rook-zuil voor haar toog, En 't Man haar spijsde van omhoog. Gij viert het, tot op dezen tijd,

Dat zoo Gods arm u heeft bevrijd.

Dies breng ik, met opregt gemoed, Uw Hutje mijnen vredegroet.

Wie smalend tot den drempel kwam;

Niet ik, gij Kind van Abraham!

Sluiten