Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Neen Aernoud! dat zult gij niet" sprak Johanna, die met vastheid hem in den weg trad. „Gij zult rustig met ons blijven en deze laatste ure niet banger maken dan zij is. Moeder heeft begeerd, hare kinderen, en wie hen aangaan, rustig verzameld te zien bij haar verscheiden, en gij zult geene stoornis brengen , waar wij eendrachtig zijn."

„Ik zal doen wat plicht is! Terug, zoo gij niet wilt, dat ik vergeten zal vrouwen to sparen." Daarop sprak hij plechtig, zich het hoofd ontblootende: „Heere Jezus! gun mij dit ééne, dat zij moge behouden worden door mij!" Bij die woorden zag hij om naar vrouw Keiniersz, en merkte op, hoe Paul do plaats bij haar hoofdeneinde weder had ingenomen, en tot haar sprak van een oord, waar eendracht zou heerschen en eeuwige liefde.

„En gij, volg mij!" riep hij den Hervormer toe.

„Ja, ik volg u, opdat deze rust moge hebben," antwoordde Paul ernstig verwijtend; „want zie, ik heb meer barmhartigheid met uw bloed dan gij zelf."

„Zoo er ontferming in u is," hervatte de ijveraar met vuur, terwijl een zonderlinge gloed zijne wangen kleurde, „herroep dan hier uwe leero, die dwaas is en Godslasterljjk; geef deze ongelukkigen aan zichzelven terug; onttoover hen, die gij betooverd hebt, opdat nog behouden worde, wat verloren was — en op mjjne knieün wil ik u danken, u eeuwig als mijnen weldoener roemen, en de Heiligen zeiven zullen u goedkeurend toewenken voor die ééne daad van menschenliefde."

Allen die daar waren, stonden in bange verwachting wat volgen zoude, want Paul scheen diep getroffen, en Aernoud sprak met innige overtuiging, en het gold hier een groot belang, en het antwoord zoude beslissen, of die menschen hun hart en hunne hoop gevestigd hadden op een stelsel van menschelijke uitvinding, dat door den verdediger kou worden geplooid en opgegeven ter liefde van eendracht en rust, of op eene leere van Goddelijken oorsprong, die niet mocht worden verloochend, zelfs niet om vrede to stichten tusschen bloedverwanten. En Paul begreep beter dan allen het gewicht van het oogenblik. „Daarvoor behoede mij God," sprak hij, het vroire oog ten hemel heffende, „dat ik herroepen zoude, wat ik onder Zjjnen zegen hebt gepredikt als waarheid,* dat ik ten aanzien van al deze leden der nieuwe Gemeente, en, voor het aangezicht van eene stervende, die daarmede tegen mij getuigen zoude bij God, mijnen Heer zou verloochenen en Zjjn Heilig Evangelie; dat ik handel zoude drijven met mijn geweten en met do rust dergenen, die zich aan mij hebben toevertrouwd, al ware het dan ook om twist te mijden en bitterheid!" Toen drukte hij zegenend do rechterhand op het voorhoofd der weduwe, terwijl hij plechtig voortvoortging: „neen, sterf gerust op het Woord, dat ik u verkondigd heb, hot voert tot zaligheid!' En daarop plaatste hij zich naast Aernoud als te zijner beschikking.

Sluiten