Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lengte in het gras: een digt begroeide kuil had paard en ruiter doen storten. In een oogwenk echter was deze weer op de been.

— 't Is niets, Vatsa! — zeide hij tot zijn dienaar, die, van zijn paard gesprongen, op hem was toegesneld, — ik ben hier zacht genoeg neergekomen. Als mijn besto schimmel 't er nu maar even goed heeft afgebragt!

Bij onderzoek bleek gelukkig, dat het edele dier evenmin eenig letsel had bekomen als zijn doldriftige berijder, maar do tijger was weg en nergens meer te bespeuren, zoodat men niets anders to doen had dan spoedig weer in den zadel te springen en den gestoorden togt voort te zetten.

Zwijgend reed nu weer Siddha, over zijn dwaas avontuur niet weinig beschaamd, nevens zijn goeroe, tot deze het stilzwijgen afbrak met te zeggen:

— Gij hebt daar, geloof ik, een gekken streek begaan, mijn waarde!

Ja! — bekende Siddha nederig, — ik heb ongetwjjfeld een mal

figuur gemaakt mot daar zoo om te rollen.

Nu, — hernam Koelloeka, — dat kondt gij niet helpen; niemand kan overdekte kuilen zien; maar dat bedoel ik ook niet, ik meen iets anders.

— Wat dan?

— Gij zult het straks wel merken, indien ten minste waar is wat ik vermoed.

De glimlach, dio bjj deze woorden om den mond van Koelloeka speelde, maakte Siddha's nieuwsgierigheid natuurljjk nog meer gaande; maar juist toen hij nadere uitlegging wilde vragen was de straks aangeduide wending bereikt, en breidde zich een ander gedeelte der vallei, nog even verlicht door den zonneschijn, met zijn weelderigen plantengroei en zijne frissche stroomen en beeken voor 't bewonderend oog der reizigers uit.

— Zie ginds! — sprak Boelloeka, met zijne lans naar een digt bosschaadje in de diepte wijzend, waarlangs een heldere beek zich slingerde als een zilveren lint, — daar woont Gaurapada.

En zonder verder te spreken daalden de ruiters voorzigtig langs de steile helling naar omlaag, volgden het, half door de natuur, half door ruwe kunst gevormde pad, dat naar het bosch leidde, en reden, dit ingegaan, voort tot zij aan de andere grens waren gekomen, waar opnieuw het vergezigt zich opende over de heuvelachtige vlakte.

Daar, onder hot digte lommer, verhief zich, door slanke, met klimop en rozen begroeide bamboestijlen gesteund, en gedekt door een eenvoudig maar bevallig overhellend rieten dak, eene nederige woning, maar dio toch wat bouwtrant en uiterlijk aanzien betrof veeleer een aangenaam buitenverblijf dan de strenge armoedige kluis van een boetedoend hoilige mogt worden genoemd. Achter, het donkere woud; aan de voorzijde,

*

Sluiten