Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Jan Contant! Jan Crediet! Jan de Poëet!" vaart hij voort, u ?al ik evenmin met hem weer lastig vallen; Jan Salie heeft geen verstand genoeg, om geld te verdienen; Jan Salie heeft geen talent genoeg, om roem te verwerven; ik schaam mij, dat ik zijn vader ben."

Hij houdt een oogenblik op, maar vermant zich, en herneemt:

„Priester van de Kunst, van de Wetenschap, van de Godsdienst! waarom hebt gij mij niet vroeger op mijne zwakheid opmerkzaam gemaakt ? Ik was maar een koopman ; denk niet, dat ik er mjjn beroep om smade; er is geen nuttiger ter wereld! — een man, die verstand moet hebben van allerlei dingen en van allerlei menschen, — een man, die moed dient te hebben voor do veelsoortigste ondernemingen; moed ten oorlog, te water en te land, als zijne belangen gevaar loopen, — een man, die zin moet hebben voor alle wetenschap en voor alle kunst, om zijne mededingers op zijde, om op de hoogte van zijn' tijd te blijven, — een koopman als ik was in één woord, — maar een koopman, herhaal ik. Of stond ik, toen ik de hoogste ontwikkeling van mijn karakter had bereikt, niet aan de ergste ontaarding van mjjn aanleg bloot? — Weelde ontzenuwt, verslapt, ontmant, Jan Salie is de zoon van mijn overvloed! Wat klaag ik over hem, ik, die mij zeiven moest aanklagen! in plaats van den verhevenen en edelmoedigen geest, die mij in de dagen mijner opkomst bezielde , werd ik de prooi van de bekrompenheid des verstands en van de onverschilligheid des harten van den nieuwelingsrijke! Ik ben verwaten en verwaand; ik ben trotsch on traag geworden, — jongens! het was geene liefde, dat ge mij niet teregt weest! Toen ik een geloof op mijn eigen hand had, toen ik er driest voor uitkwam, dat ik het mijne het beste van allen hield, toen was ik te gelijk voor andersdenkenden de verdraagzaamste man van mijn' tijd; toen beschermde ik alle vervolgden, die tot mij vloden; — waarom leert ge mij, nu ik allen gelijk heb gesteld, niet den waarachtigverlichtste, niet den waarachtig vroomsto, niet den waarachtig-liefderijkste van allen te worden, — het beste bolwerk voor do Kerk, in het bloed van mijne vaderen gevest?"

Bravissimo, Jan!

„Janmaat," vervolgt hij, „kom naast mij, jongen!" — en de trouwe borst springt op, alsof hem het sein werd gegeven in zee te steken, zoo rap en zoo blij!

„Janmaat! gjj zijt altijd een man van daden geweest en niet van woorden! — vergeeft ge mij? ik zal me beteren!"

Het is veel van zulk een' vader — maar niet te veel voor zulk een' zoon! Zie, daar rijzen beide op, — Jannetje geeft het teeken, dat de tafel is aangerigt, en Jan leunt met welgevallen op den arm van Janmaat; zoo zij het, zoo blijve het, handel en zeevaart onafscheidelijk aan elkander verknocht! — Waartoe zou ik u den disch beschrijven? er is niemand, die niet weet, dat Jan van tafelvreugde houdt; er is niemand

Sluiten