Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Aan tafel, broêrtje! aan tafel!" herneemt Jan Claassen, „vader stelt den feestdronk al in."

En hoe luidt hij?

„Oranje in 'thart, en niemands slaaf!"

Een luid „hoezee!" beantwoordt den toast; Jan is met Oranje gevallen; Jan rigtte zich met Oranje weder op. „Oranje boven!" blijve zijn eigenaardige volkskreet.

En even weinig als dezen verloochene hij ooit den anderen karaktertrek, die uit den wensch spreekt, welken hij bij den twaalfden klokslag van middernacht slaakt! — de bede, die geloovig en vertrouwend over Jan's lippen rolt, terwijl hij zijne oogen ten hemel slaat; terwijl hij zijne armen zegenend uitbreidt, — de verklaring, dat hij bij alle ontwikkeling zijner krachten Hem niet vergeet, wien hij die heeft dank te weten; het kernige woord:

— „God zegene ons, kinderen!"

God zegene u, Jan! u en de uwen!

31 December 1841.

B. Uit: 'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!

„Gierige feeks!" mompelde Doorne, in zich zeiven, terwij hij, op een' Zondag-avond in den laten herfst, den trap van zjjn bovenhuis opstommelde, „gierige feeks! het is hier zoo donker, dat men hals en beenen breken kan!"

Deze liefelijke toespraak gold niemand anders dan zijne vrouw , die toch eens de liefste zijner jeugd, zijn mooi Kaatje was geweest, — die met hare drie kinderen had zitten voortschemeren, terwijl hij door een' zijner confraters van het kantoor — den expediteur — was vrij gehouden op een heerendiner; — de man was zoo aardig — buiten's huis. Ik geloof niet, dat het zijn doel was haar het verwijt toe te duwen, en echter hoorde zij het. Op het portaal staande, had zij zelve, door een' ruk aan het smerige touw, de deur opengetrokken, en zag, trots het duister, waarover hij zich beklaagde, aan zijn struikelend klimmen slechts te duidelijk, dat hij meer dan ontnuchterd was. Verwacht dus niet, dat zij hem verbeidde, dat er eene ontmoeting plaats greep, zoo als herderszangers er schilderen bij de thuiskomst van eenen daglooner, een vriendelijk welkom, een kus als eene klok. In stilte hare smart verkroppende, dat wrevel, louter wrevel in zjjn gemoed alle vroegere, zachtere, edelaardiger aandoeningen had vervangen, trad zij de kamer binnen en had licht ontstoken, eer over den drempel was gezwaaid.

„Al weer roode oogen," gromde hij, haar opgewonden aanziende, „al weer roode oogen; als je meent dat het grienen je mooi maakt, Kaatje, dan heb jij het mis; danig mis, kind!"

Sluiten