Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijnen overvloed; hoofdsteden de schatting brengende der staten, waarover zij gebiên. En echter, geen schoon der natuur, geene pracht der kunst vermag hem te boeijen, die voortbruist over verbreede bedding; voortbruist, beken en vloeden in zich opnemende; voortbruist door de loofzaal der eiken, als langs het koningshof, door geen van beide geboeid, even of er weelde school in do vaart, als gold het de verovering eens nieuwen gebieds. Het wordt zijn deel; andere schatten voert hij mede; andere voorwerpen spiegelt hij af; andere hindernissen wijken — het landvolk aan zijne zoomen, de schepen op zijn glinsterend vlak, de burgerij der steden, welker torenspitsen opdoemen in het verschiet; alles juicht hem toe, alles dankt hem, die de scheidspalen slecht, die de volken vereent; — verder stroomt hij, verder ten onmetelijken oceaan, bij wiens grootheid hem duizelt, in wien hij zich verliest, — als de muze van Vondel het deed, toen zij in den Lucifer het Driemaal Heilig gezongen had. Immers, waar zou ik eindigen, indien ik mij verpligt achtte, ieder vroeger punt van vergelijking als met den vinger aan te wijzen, in elko van de sympathiën des dichters, in de eindelooze afwisseling der onderwerpen, door hem bezongen, in de wereld zijns tijds, door zijn werk omvat? Wereld, herhalen wij, want gelijk het vasteland den woudstroom onvoldaan laat, verlangde ook Vondel, in eenen anderen zin dan den straks aangegevenen, naar zee, volgde zijn adelaarsblik iodero verschijning op deze, bragt zijn adelaarsgreep ook van daar allerlei buit meê. Willem Schouten aan Ainerica's zuidelijken uithoek den naam zijner vaderstad vereeuwigende; — Piet Hein, met de voor Spanje bestemde schatting dor nieuwe wereld onze havens inzeilend; Lourens Eeael, op reize naar Oostindiïn onder de keerkringszon zijn kusjens dichtende — gij zoekt hen aan deze wanden vergeefs; luister naar Vondel, als ge wenscht naar hunnen lof; luister naar zijn voorspel van dien Maarten Harpertszoon Tromp, wiens roem het volgend tijdvak vervullen zou, ware de Iluyter niet reeds geboren, niet reeds aan boord. Of als gij eindelijk, die woelige buitenwereld moede, met den dichter een' blik in onze binnenhuizen wilt slaan, en niet tot schreijens toe wilt worden bewogen door zijn Konstuntijntje, en geen Italiaansch penseel waarderen wilt in zijn meesterlijk Kersliet, verkwik u dan - ik weet niet, waarom ik aarzolen zou, de hulde aan den open' zin van Vondel, met den lof zijner bruiloftsdichten te voltooijen - verkwik u aan zijne zangen der liefde, vol gloeds, het is waar mits ge vol gezonden gloeds zegt; weelderig, ik geef het u toe, maar zoo als weldige naturen het zijn in den bloei harer kracht! Lofliederen van den echt, in één woord, zoo als een volk er gaarne zingen hoorde, er zingen mogt, dat zich voor het zinnelijke van den band niet schaamde, dewijl het voor al het zedelijke van dioa eerbied had. Vondel was ook de dichter van d' Opregtste Trouw.

Sluiten