Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een aanvankelijk geheel eigenaardige plaats werd ingenomen door den vluggen, zangerigen vertaler

Ds. J. J. L. teil Kate (1819—1889)

die als Utrechtsch student met een paar vrienden het tijdschrift in rijm Braga (1842—'44) uitgaf, waarin zoowel de „Leidsche" romantiek, als de water-en-melk*poëzie, en de critiek van den „blauwen beul" (de Gids) op vaak allergeestigste wijze werden bespot. Reeds in deze spotverzen toonde hij hoe goed hij de techniek meester was, en hoe gemakkelijk het hem viel in rijm te spreken. Later toonde hij zich een improvisator, die de verzen als uit zjjn mouw schudde. Ook zijn vertalingen van groote werken als Milton's Paradlse Lost en Tasso's Jeruzalem verlost en zijn tallooze andere vertaalde of nagevolgde verzen, toonen zijn meesterschap over den vorm. Hij bezat echter weinig scheppende fantasie, als b.v. zijn hoofdwerk De Schepping duidelijk aantoont. Naast schitterende gedeelten, komen uiterst zwakke stukken voor, die den indruk maken, dat dit onderwerp, waar men een fantasie van Vondel of Bilderdijk voor noodig zou hebben, boven zijn kracht ging. Onmiddellijk vervalt hij dan ook in bespiegelingen (A. 1. vs. 20), in plaats van door te gaan met zijn vaak zoo prachtig begonnen beschrijving (A. 1 ) met mooie regels als (A. 1. vs. 10).

Zonder twijfel behoort hij wat technische verskunst betreft tot de besten uit dit tijdvak, en evenaart hij in schoonheid van klank en rhytme dikwijls de besten van de jongeren; wat wijze van behandeling betreft, weet hij zich echter niet altijd van den sleur los te maken; zoowel opzet als beeldspraak zijn maar al te vaak conventioneel.

A. Uit: DE SCHEPPING.

1. Fragment van: Tweede tafereel.

Zoo begroet

Dan 'toog des Zieners, in verbazing opgeslagen,

Voor 't eerst de wolkenzee, met saamgetaste lagen Heur golven stuwend door de blaauwe verte heen,

5 Die haar verwijdert van de Moederzee beneên.

Sluiten