Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijt gegroet, verhoogde Nevels!

rustloos rondgewenteld zwerk! Vliegend teekend van vooruitgang

in het groote Scheppingswerk! Hoe veelvormig, toch driesoortig

wandelt gij de ruimte rond: 't Allerhoogst — in kleine vlokken,

boden van den Morgenstond, 10 Even als een lammrenkudde

in heur witgewolde vacht, Weidend bij des hemels zenith

in uw donzen zilverpracht!

Lager weer — in dunne streepen,

die in 't zelfde punt ontstaan, Maar, hoe meer ze zich verlengen,

wijder uit elkander gaan: Dubbellijnen, voortgetrokken

tot een weifelend verschiet, 15 Nevellanen, waar verbeelding

Englengroepen zwerven ziet. Eindelijk — in gevaarten, leegrend

aan den verren hemelrand, Schijnbre bergen, opgestapeld

tot een statig Alpenland,

Waar langs diepe en donkre dalen

zich de rotsenketen windt,

In een drijvend panorama,

wisslend steeds van vorm en tint.

20 O, hoe vaak in later dagen,

Wolken ! wandelaars der lucht!

Zal het kind der aarde ontroeren,

dat u naoogt in uw vlucht.

Beven zal hij bij uw dreigen,

juichen bij uw rozenrood,

Tuchtiging of zegen wachten,

dood of leven, uit uw schoot.

Dichters zullen u begroeten,

als des hemels voorraadschuur, 25 Als het tuighuis der verwoesting,

als de schatzaal der natuur.

Schilders zullen u bespieden,

wenschend, voor één enklen maal

Sluiten