Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

223

Hij klemt de rotte plankon vast Van 't waggelende muurtje,

Dat haast bij 's mans papieren dam Moog knettren op mijn vuurtje.

„Tot hiertoe en niet verder!" grijnst Het zieltjen in die planken.

Gij Heeren hebt één geest misschien, Maar ik heb hier —twee banken!

Bezoek te grauwen middernacht Dat spokende gebouwtje,

Dan hoort ge een bitsen hamerslag: Dat is mijn timmrend ouwtje!

Hij timmert losse spijkers vast Met wee- en preektoon-galmen;

Hij bromt en blaast: verdragen!! wat! En knarsetandt in psalmen!

O timmer, onverzoenbre geest, lias brengt een vroolijk standje

U 's nachts een heuchelijk bezoek, En helpt — tomet — een handje!

Wij komen, ja! wij komen, hoor! Met fakkels en flambouwen,

Met feestwijn en triumfmuziek En handen uit do mouwen!

Wij stroomen allen samen tot Een monsterkonvokatie,

En trappen 't Schotje — krak! — ineen Met vreeselijke staatsie!

Iö vivat, Iö vivat,

Zal door 't gewelfje schallen,

En krakend bij den Iaatsten toon Zal 't laatste Schotje vallen!

Dan wordt die „ketter onzer eeuw" In vuur en vlam begraven,

En 't Athenaeum floreat!"

Stroomt uit de borst der braven!

Zoo nu wie 't aangaat, grijnzend lacht En laakt die kromme sprongen...

Wel, dat men 't Schotjen overgeev' Aan d'eersten krullenjongen!

Ja 'k raad u, laat, met stille trom, Dat haatlijk Schotje sloopen,

En zet die laatste, lafste sluis Voor liefde en eenheid open!

Maar is 'took weer een uitgaaf, die Mot moeite wordt bedropen ...

Ik zal de „schoft" betalen, ja, En ik wil 't Schotje koopen.

Ik wil het als een rariteit Mijn leven lang bewaren:

Een staaltjo van humanen geest, Na zooveel honderd jaren!

En 't zieltjen? Och dat zieltje zal Bij mij geen kwaad meer brouwen,

Met primo Mei verhuist hij weer... Bij mij is 't niet te houên.

1850.

Sluiten