Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. Uit: LEEKEDICHTJES. Den Lezer.

Broeder, die dit boekske leest 'k Heb gerekend op uw geest. Zoeke of legge uw oordeel, in 't Vluchtig rijm, den rechten zin! Zegt ook rijm voor rijm niet veel, Kleintjes maken hier 't geheel, Tal van dichten 't ééne Dicht, Dat uw tijd u stelt in 'tlicht, Schildert wat men hoort en ziet Op des geestes wijd gebied,

En hoe 't staat met menig man, In ons Hollandsch Kanaan;

Welk een geest in onze lucht Streeft en woelt en zint en zucht; En de feilen van den dag Die men niet bedekken mag. t Boekske heeft zijn plicht gedaan, Spoort het ü tot denken aan — Zoo 't u leeren kan noch stichten,1 Denk: 'tzijn ook maar leekedichten.

I. Waar en hoe.

Niet in de scholen, neen, heb ik gevonden, En van geleerden, och, weinig geleerd;

Wat ons de wijzen als waarheid verkonden, Straks komt een wijzer, die 't wegredeneert.

't Leven alleen is de school van het leven, Levens-ervaring het heilige boek,

God! door Uw wijzenden vinger geschreven,

Daar ik niet vruchteloos de waarheid in zoek.

Zelf moet gij 't zoeken en zelf moet gij 't vinden, Mensch, in uw hart, in het Woord, in uw lot,

Anders zoo spelen de wervlende winden,

Mensch, met uw hart, uw geloof en uw God.

II. Individualiteit.

„Wees u-zelfI" zei ik tot iemand; Maar hij kon niet: hij was niemand.

IX. Stichtelijk. "

Wat zich als stichtljjk aan komt melden, Laat bij uw zinrijke verhalen,

Sticht ons maar zelden; Gedachten in mijn ziele dalen,

Wilt gij mij stichten, och, voortaan, Een glimlach om mijn lippen dwalen,

Och waarschuw niet, maar grijp mij aan! En in mijn oogen lok een traan!

Sluiten