Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reeds half het offer van den dood,

In dorre levensgaarde,

Bukt zich een grijsaard naar den schoot

Der trouwe moederaarde.

Maar zeg hem niet: 't Is tijd van rust! Schoon afgeleefd in iedren lust Hij hunkert nog te blijven ;

Hjj zucht en hijgt, maar juicht en lacht, Hij leeft slechts om, met kunst en kracht

Den doodslaap te verdrijven.

Hij 's bang in 't donker — bang alleen ; Hij wil niet heen,

Blijft meedoen, beuz'len, hangen. De dwaze grijzaard dwingt,

En zingt,

Een liedje van verlangen.

2. Jong-Hollandscli Binnenhuisje.

's Wintersavonds houd ik mij

In mijn bezig leven Graag, als 't mag, een uurtje vrij,

Zoo van zes tot zeven,

Dan is 't vroolijk woonvertrek

Vol gezelligheden;

Nieuwspapier en boekenrek Laat ik meest met vrede; En genietend staar ik om,

Met mijn dank verlegen,

In het dierbaar heiligdom Van mijns Heeren zegen.

Alles stemt er vroom en blij,

Kleuren, tonen, beelden,

Al uw zoete poëzij

Kleine levensweelden!

Praalziek was ik nimmermeer,

't Rijmt niet met mijn zeden; Ik benijd geen mensch zijn eer,

Geld noch heerlijkheden ;

Maar ik ben 't gezelligst dier,

En zie! mijn vriendinnen Stichtten mij een kluisje hier, Stemmend ziel en zinnen.

't Leven is mij lief en waard

In dat hartlijk uurtje, Levenslustig in den haard

Knapt het knettrend vuurtje; Bij der vlammen lieldren gloed,

Schept men fantazietjes, Neuriet, stillekens en zoet,

Ras vergeten liedjes; Allervriendelijkst begeleid Door het lief geluidje,

't Liedje der gezelligheid Uit het stoomend tuitje.

Poëzie schuilt overal,

Overal, mijn vrinden!

't Is de vraag maar wie haar al, Wie ze niet kan vinden.

Sluiten