Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als visschersvolk staakt Gij in zee En bracht, na strijd van tachtig jaren, Als oorlogschatting van de baren

Euroop de Vrijheid en den Vree; En zaagt, voor 't dundoek van uw kielen Elk volk in vreeze en eerbied knielen.

Naar Zee, naar Zee hot oog gekeerd: Al wat er groots was in 't Verleden, Al wat gij groots hoopt van het Heden,

Zij daar geleerd, vereerd, verweerd! Weer blink' dat Blad van Uw Historie Van vrjjheid, geestkracht, wol vaart, glorie!

3. In Mei.

Zie! .... op goudbetinte wieken

Daalt de pasgeboren Mei,

Bij het eerste morgenkrieken,

Op het groene dons der wei;

Door de bloeserasneeuw der twijgen

Suist de veldtoon der schalmei,

Zoele, vruchtbre druppels zijgen Op het vale kruid der hei.

Donkerblauwe veldviolen

Wiegen op 't bemoste pad,

Half nieuwsgierig, half verscholen,

Tusschen tulp en crocusblad;

Duifjes hebben onder 't koozen

Krop en kuif en pluimdjes glad,

Tusschen witte waterrozen Duikt de zwaan in 't zonnig nat.

Alles wat met wilde vlagen

Stormde, in langen winternacht,

De aard deed siddren — 't hart deed jagen..

Is tot lust en rust gebracht; Wat verkwijnde, wat verkoelde,

Heft zich op tot gloed en kracht...

Zoete Mei!... de geest gevoelde,

Dat nóg schooner Lente ons wacht.

Sluiten