Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Spreek je moerstaal, Gus! en zeg: door kruipen komt men tot.. .

Geen politiek, als 'tje blieft! Hoe smaakt hot, jongens?

Brüder, stossetan! 'tls hier helsch, 't is hier fantastisch!.. .

Nous étions beaux è, voir autour d'un bol en feu,

Buvant sa fiamme

— En proie aux bourrasques du jeu! vervolgde Slot

— Kom! wie wil eens passe-dixen? Die liefhebber daar, op Gustaaf wijzende, draagt de steenen toch altijd in zijn broekzak!

— Neen, niet passe-dixen! gebood Flanor; je weet, dat ik er het land aan heb; als het je hier verveelt, poets hem dan en ga op de Kroeg dobbelen, als de commissarissen het toelaten.

— Nu, Flanor! zet maar geen gezicht van zure appelen. Wij zullen opgewonden zijn. ün daarom stel ik voor — ging Slot voort op gemaakt-dronken toon — dat de Champagneglazen poenitet drinken, die zich niet gehouden schijnen op den pieterigen toost van Gus te bedanken.

— Kom, jij, vierde man! zeg ook eens iets! Vadermoorders en landverraders kan ik verdragen, maar geen vervelend mensch.

Maar de vierde man was een stille jongen Wat doen die menschen op feesten! zou men zeggen; maar dikwijls krijgen zij den slag van feestvieren op eens weg, dan slaan zij om als een blad en.... zegen over hun hoofd!

— Het is beroerd, dat Yan der Wouden weer zoo lang wegblijft.

— Hij komt stellig niet meer.

— Hij is nog dronken van zijn feest van eergisteren, bij gelegenheid van zijn Candidaats.

— Neen, komen doat hij zeker, zegt Flanor, want ik heb hem met zoo'n heerlijk vers geïnviteerd!... Als hij niet kwam, was hij een monster; maar je weet, hij is een van teutem van de eerste soort.

— Of misschien onder-water!

— Schlechte Wit ze!

— Maar, als hij eergisteren zijn Candidaats gedaan heeft, moet hij nii promoveeren.

— Dat's ferm! ja, wij moeten hem laten promoveeren!

— Flanor Flanoris! klonk het van de straat.

— Daar is Van Teutem zelf! riepen allen.

— Dag, standjes! Och, ja, 't is alweer te laat. Bonjour, Gustaaf! bonjour, Slot! bonjour, allemaal!

Flanor hem een vol glas onder den mond houdende: — zuip, beest!

Vervolgens ging Flanor langzaam zitten, maar stond na een oogenblik weer op en bracht met een hoogst ernstig gelaat eene sierlijke rede in het midden. Van der Wouden zette groote oogen, doch, aan soortgelijke uien gewoon, begreep hij terstond, hoe laat het was, en

Sluiten