Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Heerlijk gevonden!" zei ik eindelijk, „Janus, je bent een groot man! Maar — bij nader inzien — 't gaat er mee als met alle systema's: machtig mooi in theorie, maar nu de practijk?"

„De practijk!" viel hij mij in de rede, „die is minder dan niets. Zie je dan geen kans om een half uur achter elkander onzin te vertellen ?"

„Is het nederigheid of is het een bluf, als ik op die vraag „neen" antwoord?" vroeg ik.

„Dat is een bluf;" verzekerde hij, „ben je dan van geen enkel genootschap lid?"

„Ja wel," hernam ik, „ik ben lid van —"

„Nu, dat behoef ik niet eens te weten," ging hij voort, „als je lid van eenig genootschap bent, dan kun je dat best op je nemen."

„Kom aan dan," zei ik lachend, „aangenomen; maar op versmaat kan ik het niet ex temporé, en dus —"

„En dus," hervatte hij, „zult gij er u vooruit op moeten prepareeren, en dan maar dadelijk aan 't werk. Wil ik u helpen? 't Is wel wat arrogant, maar ge zult zien, als we samen aan den gang zijn, zal dat loopen als impier de musique

Ik werd zoo meegesleept door zijne vroolijke, luchtige manier van de zaak te beschouwen, dat al mijne zorg mij op 't oogenblik van 't hart was geweken, en ik er zelf pleizier in kreeg.

„Laten we 't zamen doen," zei hij, om beurten een stuk; als de eene voor een oogenblik uitgeraasd is, dan begint de andere, en zoo ieder op zijne beurt dicteeren en opschrijven. Ik voel me op 't moment en veine, dus zal ik beginnen. Ga maar zitten, neem zes vel papier voor u en een vollen inktpot."

Ik deed zooals hij zei, en ging aan mijne schrijftafel. Te gelijk verliet hij de sopha ook, sloeg zijn mouwen en manchetten op, streek zijne hand door zijne lange zwarte haren, nam eene theatrale houding aan, en begon de kamer op en neer te wandelen, „Daar gaan we de lucht in," sprak hij. „Schrijf maar op:

Barst los, bezielt u, heiVge snaren!"

„Dat is Helmers!" riep ik.

„Wat?" zei hij, „is dat Ilelmers? Ik dacht, dat ik het zelf was. 't Is zoo lang geleden, dat ik Helmers gelezen heb — die regel schijnt mij bij gebleven te zijn. Maar dat valt mij in eens in — van bombast gesproken — daar hebben we eene rijke bron."

„In Helmers?" vroeg ik verwonderd, „neem het mij niet kwalijk, maar ik loop nog al met Helmers weg."

„Ik ook," zei van Yenne, „in zeker opzicht; maar gij zult toch niet ontkennen, dat hij eene menigte bombast verkoopt?"

v. Schothorst. II. 17

Sluiten