Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Jongen," hernam ik, terwijl ik rajjne pen neerlei, „ik geloof, dat die beschouwing een gevolg is van de tegenwoordige koude, materiëele wijze van alles uit te pluizen."

„Daar protesteer ik tegen," antwoordde hij, „en nu wil ik mij het pleizier toch geven, u te overtuigen van 't geen ik Helmers ten laste legde."

„Maar ons vers," viel ik hem bezorgd in de rede, „laten we het ijzer smeden terwijl het heet is."

„Dat zal wel terecht komen — over vijf minuten ben ik uw man weer met wat nieuws. Ik heb u immers al gezegd, dat ik me en veine voelde? Maar van Helmers dan gesproken; één staaltje uit honderden. Gij kunt er ook meer krijgen als gij verkiest. Hebt ge b. v. dat verhaal van Evertsen gelezen, hoe hij zegt:

„ Vier van mijn broederen en mijn vader met mijn zoon ')

Zijn strijdend voor 's lands eer gesneuveld, enz."

„Dat is een uitmuntend stuk," riep ik, „ja, dat heeft iedereen gelezen : dat wil je toch niet. .

„Niets!" ging hij voort, „dat is uitmuntend, dat moet iedereen erkennen. En wat heb jij bij dat verhaal gevoeld?"

„Ik ben er koud bij om 't hart geworden, telkens als ik het las of 't met gevoel hoorde lezen."

„Een grove fout!" hernam hij met een bedenkelijk gezicht.

„Wat?" vroeg ik verwonderd.

„En toen," ging hij voort zonder op mijn uitroep te letten, „toen gij dat gelozen hadt, wat hebt gij toen gedaan ?"

„Wat ik toen gedaan heb ? — Sakkerloot, dat weet ik niet. Ik heb misschien een pijp opgestoken of een kop koffie gedronken."

„Ongelukkige! heb je toen niet dadelijk een plaatsbriefje genomen op de stoomboot naar Middelburg?"

„Zoover ik weet, niet."

„Ben je toen in gezegde stad niet naar de Nieuwe Kerk geloopen?"

„Ik ?"

„Ja gij! Hebt ge toon niet aan den koster gevraagd, om het hek open te sluiten van de tombe van Evertsen? — Heb' je toen je hoed niet naast je neergelegd en je pruik afgezet, aangenomen dat je een pruik draagt, om dat koude marmer op je knieën te kussen 1" ging hij met klimmende opgewondenheid voort.

„Heb je dat alles niet gedaan?"

„Ben je razend?" riep ik uit, „ik denk dat ik dan nu wel op Meerenberg zou zitten, als ik dat alles in mijn hersens gekregen had."

1) Zie hiervoor bl. 131.

Sluiten