Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en daar een verkeerd. Nonsens? Jo zult ze nog wel schooner hooren, eer ik klaar ben. Het wordt een prachtig vers! Schrijf maar weer door:

Wat sterf ijk, oog, ja zelfs met Hegels bril gewapend,

Zal H wagen, droomend, vakend, wakend, tlapend,

Naar ,t vroeger vzijn of niet zijn" tan die tien te zien ?

Zal 'k, in 't oneindig ruim, der tijden kringloop keer en? Wat baat mij hier uw hulp , o Gij, Philosophie?

Hier hoort mijn zülenaar der sferen harmonie,

In ruischend' eenklang met de harmonie der sferen!

Wat waagt mijn hand dan, om 't gordijn terug te slaan, Dat die tien jaar bedekt — gesluierd beeld van Saïsl Wat angst beklemt me dan, als 'k vraag: „Is 't wel gedaan ?" Bampzaalge voor altijd, als V antwoord dan geen vja" is! yk Zie bliksems flikkeren door den chaos van den nacht;

Maar 'k word gedreven door een onweerstaanbre macht, En, rnoog'' het stargewelf in duizend splinters breken, lk zal, ik wil, ik moet van tien jaar herwaarts spreken."

„Zie zoo," zei van Venne en bleef pal staan voor mijn schrijftafel, waar ik nog druk bezig was het laatste gedeelte op te schrijven, en alzoo voor een oogenblik de wandeling stakende, die hij onophoudelijk met een sigaar in den mond door de kamer gedaan had, „zie zoo, mjj dunkt, nu heb ik in die een en twintig regels omtrent evenveel gezegd, als gij in uw eenen:

Een tiental jaren vlood daarhenen.

"Wat klinkt die nu flauw, hé, bij zulke magnifique poëzie vergeleken? Nu zijn we op het standpunt, van waar gij nu verder kunt redeneoren , zooveel gij maar wilt: ik heb u nu gebracht op den dag, waarvan we morgen de feestelijke herinnering vieren."

„Klaar ben ik," zei ik opstaande, „'t staat geheel en al op 't papier. Laten we 't nu nog eens overlezen, tot waar we gekomen zijn." Ik deed dit met een emphase, die met het stuk in volkomen overeenstemming was, zoodat we beiden van harte „bravo" riepen toen het uit was.

„'t Is kostelijk," zei ik, „ik moet bekennen, ik heb veel gelezen van mijn leven, maar zooveel „niets," dat den schijn aanneemt van „iets," heb ik nog nooit in zoon klein bestek bij mekaar gezien. Waar duivel haalt gij zoo'n improvisatie van daan ?"

„Ik heb de dichters van de nieuwere school bestudeerd," zei van Yenne met een gezicht, alsof hij het meende.

Sluiten