Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Toch niet onze Nederlandsche?" vroeg ik lachend.

„Ik noem geen namen," antwoordde hij even ernstig.

„Maar kom aan, vooruit op denzelfden weg, en, als 't kan nog doller! Uw beurt! Geef mij nu de pen maar, en steek eene nieuwe sigaar op, want in dat stompje zit geen geest meer.'

Ik deed zooals hij begeerde.

„Wat dunkt u?" zei ik, als ik nu den eersten regel, waar gij straks mee beginnen woudt, eens in de lucht gooide:

Barst los, bezielt u, heil"ge snaren!"

„Goed zoo," antwoordde hij, „ga je gang maar! hij staat er al, en nu een soort van triomfgeschal op de tegelbakkerij in de Rozenlaan.

Spaar haar niet."

Ik voe'de mij even opgewonden, als hij zelf was, en binnen tien minuten had hij ook een vijf en twintig tal regels van mij op het papier, van geen minder allooi dan de zijne, maar die ik mijnen lezers nu maar verder sparen wil; met zeer weinig moeite kunnen zij zelf een paar honderd dergelijke te voorschijn brengen.

Het gevolg van deze werkzaamheid, waarbij wij beurtelings wedijverden, was, dat wij binnen anderhalf uur zes honderd regels klaar hadden, zoo volmaakt onverstaanbaar alsof... men ze in gemoderniseerd

middeneeuwsch geschreven had.

„Hoerrah!" riep van Yeune, toen hij het slotwoord had gezet, „jammer dat we niet met een gulden per regel betaald worden.

V. NOVELLISTEN.

Bij de Humoristen uit het vorige hoofdstuk sluiten zich min of meer aan de talrijke schrijvers, die in den vorm vau novellen hun reisherinneringen te boek stelden of schetsen gaven van personen, toestanden of gewoonten uit hun omgeving. Deze zoogenoemde „kleine kunst" raakte in dit tijdvak tot grooten bloei; wel beproefden vele novellisten en andere auteurs hun krachten aan het schrijven van romans (z g. „groote kunst"), maar meestal slaagden zij niet.

Sluiten