Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zuiver-verstandelijke levensbeschouwing ten grondslag ligt en hij dus beschouwd kan worden als de roorlooper der tachtigers.

Vergeten mag hier ook niet worden de Amsterdamsche professor in de aesthetika Allard Pierson, die door zijn bezielend onderwijs, zijn verhandelingen over kunst en zijn critieken, grooten invloed ten goede heeft geoefend.

Zoo werd er reeds menige bres geschoten in de vesting van de vaderlandsche kunst der 19e eeuw, die door de tachtigers in wilden loop werd bestormd en met luide fanfares veroverd.

§ 1. Conrad Buskcn Huet (1826—1886).

Deze allergeestigste schrijver en fijne criticus werd in 1826 te 's-Gravenhage geboren, waar hij bekwaamd werd voor de studie aan de universiteit. Achtereenvolgens studeerde hij te Leiden, Lausanne en Genève in de theologie, waarna hij te Haarlem tot predikant bij de Waalsche gemeente beroepen werd. Kuim tien jaren bekleedde hij dit ambt, dat hij in 1862 vaarwel zeide, omdat zijn sceptische natuur het hem onmogelijk maakte als predikant te blijven optreden. Hij ging zich nu uitsluitend aan journalistieken en letterkundigen arbeid wijden, en werd redacteur van de Haarlemmer Courant en vast medewerker van den Gids, dien hij door zijn pakkende critieken tot nieuwen bloei bracht. Toen hij in de Januari-aflevering van 1865 echter, buiten medeweten der andere redacteuren, een ongeteekend, critisch staatkundig opstel over De Tweede Kamer en de Staatsbegrooting had geplaatst, ontstond er oneenigheid in de Gidsredactie. Huet nam zijn ontslag als redacteur, en Potgieter, van het goed recht zijner handelwijze overtuigd, volgde zijn voorbeeld. Duidelijker sprekend bewijs van Potgieter's onpartijdigheid en trouwe vriendschap voor Huet zal zeker wel niet te vinden zijn, al legt de onlangs uitgegeven en zeer merkwaardige verzameling brieven, door Potgieter aan hem geschreven, ook menig getuigenis van innige vriendschap en onderlinge hoogachting af.

Sluiten