Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

treurspel komt een versregel voor, die onder het luisteren door Bilderdjjk zelf den jongen dichter aan de hand gedaan is!

Het dichtrenkoor gaf van zijn vroomheid blijk : De springvloed stuitte op Bilderdijk —

heeft de heer Yan Lennep ergens gezongen, en die woorden stemmen overeen met hetgeen hij ons verhaalt van zijn studententijd, toen hij Bilderdijk reeds erkende en liefhad als den grooten, den alles en allen wederstaanden reaktionair. In 1830 is hij in den goeden zin des woords citadelpoëet geworden; ten minste, wie de zes opdragten vóór de zes zangen van den Strijd met Vlaanderen thans herleest, zal aan die kwalifikatie geen aanstoot nemen. Yan toen tot heden — van vroeger, moest ik zeggen, want de Academische Idyllen en de eerste Nederlandsche Legenden waren reeds in het licht verschenen — heeft hij niet opgehouden onze litteratuur te verrijken met de vruchten zjjner pen; zichzelf steeds gelijk blijvend in zijne gevoelens, zijn talent, zijne werkwijze.

Hij arbeidt a la grosse morbleu, gelijk jufvrouw Stauffacher plag te zeggen van de kabinetwerkers der negentiende eeuw. Zijne vlugheid is fabelachtig, zijne vruchtbaarheid voorbeeldeloos, zijne kennis veelzijdig en uitgebreid, zijne vlijt beschamend; doch zijn litterarisch geweten is niet nauw genoeg, en wanneer het hem gebeurt de geschiedenis niet aan te kunnen, dan ligt hij haar somtijds beentje.

Vraagt men naar zijne poëzie? Zij is de welluidendheid zelf; zij hapert nooit. Doch door overmaat van gemakkelijkheid wordt zij menigmaal onbeteekenend, en de dichter, spelend met het rijm als een kind dat bellen blaast, vergeet te vaak de les van den franschen zanger aan zijne mededichters: Que celui qui se sent la rime trop riche, lamouche!

Vraagt men naar zijn proza? Ik antwoord dat niemand op dit oogenblik in ons vaderland zoo eenvoudig, zoo vloeijend, zoo genoegelijk schrijft als hij. Men verstaat hem met een half woord; nooit is hij ingewikkeld; nooit overscheeuwt hij zich; steeds blijft hij in de maat. Doch om metalen klokspijs moet men bij hem niet komen; om woudrivieren of Niagara-water vallen evenmin. Hij kan van zichzelf zeggen hetgeen Voltaire eenmaal schertsend zeide in een brief van een vriend — en ik weet niet welke daemon er mij behagen in doet scheppen, nogmaal \ an Lennep's naam in één adem met dien van Voltaire te noemen: „Vous trouvez que je m'explique assez clairement: je suis comme les petits ruisseaux, ils sont clairs paree qu'ils sont peu profonds."

1864.

Sluiten