Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als het grootsche, geheimzinnige land van Saïddjah en Adinda of een „kransje" bij de Rozemeijers, en hem tenslotte in heftige beroering brengt door de schitterende apotheose. Zonderlinger, bonter, aangrjjpender boek is er zeker in onze taal niet geschreven, en al mag het misschien wat aan actualiteit verliezen, er komen toch talrijke gedeelten in voor, als b.v. de hoofdstukken over Droogstoppel, de toespraak aan de hoofden van Lebak, de geschiedenis van Saïddjah en Adinda, die onvergankelijk zijn, omdat hier in 't bizondere het algemeene is geteekend , dat altijd begrepen zal worden.

Aanleiding tot het schrijven van dit boek, was Dekker's ontslag als assist.-resident en zijn vertrek naar Holland, waar hij rechten eerherstel hoopte te krjjgen, zoodat hij opnieuw, maar nu in hoogeren rang, naar Indië terug zou kunnen gaan om te werken aan de verheffing van den Javaan.

Wat hij verwacht had gebeurde echter niet. Nu gaf hij zijn boek uit, maar ook dit bracht voorloopig geen verandering te weeg, al werd het verslonden en hemelhoog geprezen. Naar de feiten werd, schijnbaar althans, niet onderzocht, en Douwes Dekker, die met vrouw en kinderen naar Holland was gekomen, maar zonder geld, moest trachten met zijn pen in het onderhoud van zich en de zijnen te voorzien. De arme Tine, die met Max en Nonnie te Brussel op kamers woonde, leed herhaalde malen broodsgebrek, maar hij zelf was niet minder ongelukkig. Teleurstelling, na teleurstelling volgde: velen, die hem aanvankelijk wel wilden helpen, keerden zich van hem af; al zonden zij soms in stilte Tine wat geld, met hem persoonlijk wilden zij niet te maken hebben. Wie zijn karakter maar eenigszins kent, kan begrijpen, hoe diep hem dit gegriefd heeft; maar begrijpt tevens, hoe noodig het was, dat zij zoo handelden tegenover een man, die zoo roekeloos met geld omging, zijn naastbijliggende plichten zoo schromelijk verwaarloosde, en zijn vrouw als een slavin behandelde, van wie hij geen klachten duldde.

Hij stierf in '87 te Neder-Ingelheim, de laatste jaren levend van een lijfrente, hem door een Multatuli-commissie geschonken.

Sluiten